De sombermansbril afgezet

Hoe moet het verder met het samenleven van moslims en Nederlanders na al die botsingen de afgelopen twee jaar? Een afgelaste Aisja-opera, homofobe imams, de nasleep van 11 september, de bestempeling van de islam als achterlijk, een met de dood bedreigde Ayaan Hirsi Ali. Voor inspiratie moeten we beter om ons heen kijken. `Koop die anti-homoshirts.'

Deze week een jaar geleden werd mijn zoontje Sheyda geboren. Sindsdien maak ik mij steeds meer zorgen over de wereld waarin hij is beland. Dat is een hormonale kwestie volgens Canadese wetenschappers die onlangs ontdekten dat het vaderlichaam na de geboorte van een kind een stof produceert die sensitiviteit en altruïsme stimuleert. Zo helpt de natuur mannen een handje om het gekrijs van baby's en hun totale eis om aandacht te overleven.

Maar het blijft knagen. Ik ben bezorgd over de multiculturele puinhoop die we van dit paradijselijke land maken. De ziel van Nederlanders is diep doordrongen van de democratische traditie en Nederland is een plek waar de armen en zwakkeren goed worden opgevangen en waar bovenal heel veel rijkdom is. Verschillende vrienden uit mijn moederland Iran kunnen zich in hun wildste dromen niet voorstellen hoe goed we het hier hebben. Maar het paradijs is voor de mens ondraaglijk, bewijzen wij opnieuw. De laatste twee jaar hoppen we van de ene multiculturele clash naar de andere multiculturele kloof.

Na drie decennia van desinteresse van zowel de autochtone politici als van het autochtone publiek voor de zwakste sociaal-economische en sociaal-culturele leden van de immigrantengroep is er nu sprake van verontwaardiging en angst. Aanleiding is dat de immigranten moslim zijn en daardoor mogelijk gevoelig voor de wereldwijde activiteiten van een radicale tak van de politieke islam. De goedgelovige meerderheid van gisteren ziet nu in elke bebaarde man en elke gesluierde vrouw en elk kind van een koranschool een potentiële terrorist.

De onvoorspelbaarheid en ondoorgrondelijkheid van de nieuwe wereldwanorde, met een islamitisch getint, onzichtbaar terrorisme als belangrijkste symptoom, maakt deze meerderheid ongeduldig.

Onder aanvoering van doemdenkende opiniemakers wordt geëist dat alle moslims nú de heilige grond van de moderniteit kussen. Scheer die baard af, werp de hoofddoek af en verruil ze voor stropdas en mantelpak. En doe gelijk al die religieuze eigenaardigheden de deur uit die je volledige individualisering belemmeren. Alleen dan word je een gewone Nederlander voor wie geldt: doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.

De moslim-immigrant op zijn beurt heeft sinds twee jaar geen veilig nest meer. Toen, het was november 2000, ging de Rotterdamse opvoering van de opera Aïsja en de vrouwen van Medina niet door na druk van Rotterdamse en Marokkaanse moslims. Slachtofferretoriek en de voorrechten van de zielige onderdrukten zijn sindsdien een gepasseerd station. Want in de grote steden van Nederland zijn de moslim-immigranten in aantal, koopkracht en politieke rechten eerder een opkomende middenklasse dan een onderdrukte, zwijgende, analfabete etnische onderklasse. En dat merken de autochtone buren en stadsgenoten. Moslims doen het steeds beter en zijn vaker te vinden in de publieke ruimte, van parken tot talkshows. Hun bestaan en ook hun misstappen vallen steeds meer op. Daarmee is ook de braafheid en ingetogenheid van de moslim-migrant voorbij.

Maar de regen van terechte en minder terechte kritiek op zijn heilige huisjes, zijn cultuur, zijn religie en zijn loyaliteit aan het land van herkomst kunnen en willen moslims vaak niet met de pen bestrijden. Uit gebrek aan training in zelfreflectie gaan ze over tot tandenknarsen, schelden en bedreigen, en beschuldigen ze iedere criticus van een geheime, smerige agenda.

Op deze manier maakt het regime van vermijden plaats voor wantrouwen, bedreigen en verwijten, over en weer. Een multiculturele misère, die de minister van immigratie Nawijn nog verder vergrootte door in augustus hardop met de gedachte te spelen de Marokkaanse jeugdcriminaliteit op te lossen door allochtonen anders te bestraffen dan autochtonen, door hun het burgerschap af te nemen en hen naar Marokko terug te sturen. Nederland is nu een land waar kritiek van Hirsi Ali op de islam of een analyse van Anil Ramdas over moslim-fundamentalisme aanleiding zijn voor doodsbedreiging en hate mail.

Dit is het land waar mijn zoontje moet opgroeien. Een land waar hij niet kan zeggen dat hij de religie van zijn eigen vader en die van andere moslims maar achterhaalde nonsens vindt, omdat hij anders door moslim-klasgenoten in elkaar geramd kan worden. Een land waar hij eeuwig tweederangsburger zal zijn zolang LPF'ers als Nawijn aan de touwtjes trekken.

Daar word ik somber van, en vele andere burgers met mij. En toch moeten we een manier zoeken om de voortdurende staat van opwinding, verontwaardiging en wantrouwen achter ons te laten. Vooral voor jonge vaders en moeders is dat broodnodig, want kinderen vinden sombere ouders maar niks en dat zeg ik uit eigen ervaring.

Bloemetje

In deze stormachtige dagen haal ik mijn inspiratie steeds minder uit de praatprogramma's op televisie en opiniepagina's in kranten. Nederland kent vele profeten maar geen enkel wonder! Nee, ik kijk liever om mij heen. Want als ik de sombermansbril afzet, dan zie ik genoeg voorbeelden die als praktische idealen kunnen fungeren. Dan zie ik manieren van met elkaar omgaan die ons kunnen bevrijden van de duivelse tweestrijd van vermijden of verwijten, negeren of ruziezoeken.

Neem Arend, een jonge vijftiger uit een kleine gemeente in de buurt van Rotterdam. Zomer vorige jaar werd hij in elkaar geslagen door Marokkaanse jongetjes uit zijn buurt. Hij wilde een oud echtpaar dat door twee Marokkanen werd belaagd, te hulp schieten. In een flits was hij omsingeld door vijftien Marokkaanse jongens, die met mobiele telefoons waren opgeroepen. Ze sloegen er op los. Arend hield er kneuzingen, een chronische nekpijn en stress aan over.

Hij deed aangifte en uiteindelijk hebben drie van de jongens vier, twee en een maand gevangenisstraf gekregen. De Marokkaanse gemeenschap hield zich stil: geen kaartje, laat staan een bloemetje. En dat terwijl Arend al een jaar bezig was om in contact te komen met Marokkaanse ouders, omdat hij aanvoelde dat de Marokkaanse jongens hun draai niet konden vinden in de buurt en op school. Maar hij is niet gaan treuren. De schok van het incident greep hij aan om een al eerder, door een Marokkaanse leerkracht bedacht plan voor een jeugdgebouw voor Marokkanen er eindelijk eens door te krijgen in de gemeente. Daar krijgen de Marokkanen een eigen plaats waar ze ook gecorrigeerd kunnen worden door een Marokkaanse begeleider die hun gevoelige snaren weet te raken. Arend weigert om in wrok te verdrinken, hij kiest ervoor actief de omstandigheden te verbeteren. En dat toont zijn grote moed.

Moed is er ook voor nodig de eigen traditie in twijfel te trekken. Ufough is een jonge dertiger. Samen met een paar Turkse vrienden runt hij een supermarkt in Rotterdam. Zijn naam betekent in het Turks, en in een heleboel andere talen, `de horizon'. Hij ziet eruit als een revolutionaire gardist van de Iraans-islamitische dictatuur: een flinke vent met een volle baard en een kaalgeschoren hoofd. Maar Ufough is allesbehalve een fundamentalist, hij vertegenwoordigt het type moslim dat we in de hele wereld goed kunnen gebruiken: de twijfelaar onder gelovigen. Hij volgt de weg van de soefies, de moslim-mystici die zoeken naar de persoonlijke openbaring van god, ook wel bekend als `de weg van het hart'. Maar met de conventies van de soefi's heeft hij moeite, zoals met de manier waarop in het soefisme de Seik, de `goeroe', wordt verafgood en met de nederigheid van de leerling. Die passen niet bij deze tijd, volgens Ufough. In zijn ogen is het een zegen dat we in een tijdperk leven waarin een individu uit vrije wil kan handelen en onderzoeken wat voor hem de ware weg is. Ufough zoekt in zijn eentje naar een spirituele weg, in boeken en onverwachte ontmoetingen. Hij mist de gezamenlijke beleving van traditionele soefi-ceremonieën wel, maar hij neemt dat gemis voor lief, en droomt van een sociëteit van vrije soefi's. Ufough brengt de eeuwenoude spiritualiteit uit zijn thuisland en de moderniteit van het hedendaagse Nederland samen.

Weer een ander in Rotterdam is Jacqueline. Zij is niet zo'n twijfelaar, zeker niet als het gaat om haar omgangsvormen met leerlingen. Ze is ervan overtuigd dat elke leerling gemotiveerd kan worden. Natuurlijk, elk kind moet anders worden aangepakt. Maar voor alle kinderen geldt dat ze door aandacht gaan bloeien. Ook kun je al die kinderen democratische waarden en normen bijbrengen, zoals gelijkheid van man en vrouw en beleefdheid. Een relativerende en aarzelende leerkracht is dodelijk voor kinderen. Een leraar kan een belangrijk voorbeeld zijn, zeker voor kinderen van wie de ouders de Nederlandse samenleving en de taal amper kennen. Als je maar in staat bent de harten van de kinderen te veroveren. Daarvoor is een oprechte belangstelling nodig voor kinderen, hun achtergrond en hun grote en kleine verhalen. Je moet ook durven om met jezelf en met hen te spotten. Jacqueline hoort haar leerlingen graag aan de haal gaan met haar Drentse accent. Ze laat zien dat zij ook haar eigen achtergrond en haar kijk op de wereld heeft en dat ze geen neutraal wezen is. Vaak maakt ze een grapje tegen de van top tot teen ingepakte moslimmeiden en nagenoeg in hun blote kont rondlopende Anti's (Antillianen), bijvoorbeeld dat ze elkaar mooi in evenwicht houden. En dat het wel te ver gaat als de borsten van de anti's uit de kleren hangen of als ze niet de ogen van hoofddoekmeiden kan zien: ,,Ik moet kunnen zien of je naar mij kijkt!''

Misschien is de directe en beeldende confrontatie haar sterkste middel. De zonen en kleinzonen van voormalige gastarbeiders die zeuren als ze het klaslokaal weer eens moeten opruimen, krijgen klare taal uit haar mond te horen: beter nu braaf luisteren dan straks als laagopgeleide schoolverlater levenslang schoonmaken, zoals hun ouders. Dat is confronterend, maar zij mag het zeggen. Van haar kunnen ze het hebben, want zij geeft om hen en ze vertrouwen erop dat ze goede bedoelingen heeft.

Warme huiskamer

In het restaurant van Fatima en haar man Hassan bij ons in de buurt wordt de omgang niet gekenmerkt door confrontatie maar door sympathie. Hier voel je je meteen welkom. Hun restaurant is een warme huiskamer. Ze zijn oprecht blij als je voor een tweede keer komt. En als je van een babbeltje houdt, ben je een klant naar hun hart. Dit restaurant is meer dan zakendoen. Hier maken ze vrienden en investeren ze in hun eigen thuisgevoel. Vrienden zijn er inmiddels in groten getale en met het thuisgevoel is het dik in orde. Dat kan ook niet anders, want de goedlachse man en vrouw zijn werkelijk hartelijk. Ze vertellen graag en zijn benieuwd naar de verhalen van de klanten. Vaak slaat de vonk van de conversatie over naar andere tafels en zo krijgt dit restaurant iets van een multiculturele stamkroeg. Maar misschien het sympathiekste gebaar van deze Koerdische familie naar de toch voornamelijk Hollandse klanten is de Rotterdamse oma die meehelpt. Terwijl ze een sigaretje in de hand heeft, spreekt ze met de rollende R de Koerdische gerechten van het menu uit. Hoe zij tussen deze Koerden is terechtgekomen, doet er niet toe. Dat ze er is zegt genoeg. Hier sluiten de culturen elkaar niet uit maar komen ze juist samen.

Mijn laatste twee inspiratiebronnen noem ik bij naam en toenaam, zij zijn beiden publieke figuren, die met hun ideeën en standpunten naar buiten treden. Sterker nog, ze leven ervan. De eerste is Thomas Sackel. Thomas is een kunstenaar wiens wortels in Oost-Duitsland liggen. Al jaren ergert hij zich groen en geel aan sommige moslimjongeren die homoseksualiteit als een virus en homoseksuelen als onaanraakbaren behandelen. Sinds kort heeft hij deze ergernis als Leitmotiv genomen voor een bijzonder kunstproject. Hij heeft antihomo-T-shirts en antihomo-spray ontworpen, waarmee hij op de markt te vinden is tussen de Hollandse kaasboer en de Marokkaanse delicatessenverkoper. Overal, op de grote en kleine markten in Rotterdam, maar ook elders in het land, stelt hij de absurditeit van de antihomo-gedachten aan de kaak, en hij raakt op de markt ook in gesprek met moslimjongeren. Dat lukt hem vaak, doordat hij zijn boodschap verpakt in ironie. Hij is niet neerbuigend en hij preekt niet. Hij neemt de jongeren liever in de maling. Daar moeten ze om lachen en dan zijn ze ook eerder bereid om toe te geven dat hun homofobie absurd is.

Naeeda Aroungzeb komt uit Pakistan, is publiciste, tv- en radiopresentator en zij werkt ook nog aan de Haagse Hogeschool. Zij is het voorbeeld van een jonge en moderne vrouw die de Nederlandse feministen van de oude garde tot wanhoop kan drijven. Ze is hoofddoek en hoge hakken in één. Zeer zelfbewust, maatschappelijk betrokken en tegelijkertijd een gelovige moslima. Dat kan, ook al hebben de anderen, de traditionelen en de modernen, er een hard hoofd in. In haar eigen woorden: ,,Elk dag weer strijden duizenden moslimvrouwen in ons land om een plekje voor zichzelf. Ze zijn constant in gesprek met ouders en familie over waarom zij doen wat ze doen; wel of geen hoofddoek, wel of geen verloofde van een andere nationaliteit, thuis wonen of op kamers, studeren of werken, zijn de roddels waar of niet waar? Ze zijn ook iedere dag in gesprek met niet-moslims; ja, ik ben gelovig, en nee, ik vind onderdrukking niet acceptabel, en nee, ik weet niet waar Osama Bin Laden is.'' (Contrast, september 2002)

Ze is voor mij het prototype van de ijverige, jonge, zelfbewuste moslimvrouw die de Nederlandse top van het advocatenwezen tot en met het parlement gaat veroveren. Vrouwen die juist vanuit hun voortdurende onderhandelingen met traditionele ouders enerzijds en de wantrouwige moderne buitenwacht anderzijds een soepelheid en pragmatisme aan de dag kunnen leggen waar jongens nog lang niet aan kunnen tippen.

Ik idealiseer de werkelijkheid niet. Om uit de huidige multiculturele nachtmerrie te ontwaken, is er meer nodig dan het uitvergroten van particuliere succesverhalen. We moeten ons gaan bezinnen op de nodige collectieve beslissingen, zodat de verschillen geen tikkende tijdbom worden. Maar zowel voor beslissingen op collectief niveau als in ons dagelijkse maatschappelijke leven bestaat er behoefte aan uit de dagelijkse praktijk geplukte inspiratie.

Wat mij opvalt is, dat onze opiniemakers en deskundigen vooral achteruitkijkend de toekomst uitstippelen. De een, zoals Paul Scheffer, wil de mensen aan de hand van vaderlandse geschiedenislessen tot inzicht brengen. De ander, zoals Anton Zijderveld, wil het moslimdeel van de bevolking naar de verouderde weg van de collectieve emancipatie, de weg van de verzuiling, leiden. Het zijn voorstellen die duidelijk naar de eenzaamheid van stoffige studiekamers ruiken.

Intussen is ook een andere weg zich stilaan, en tot nu te veel te langzaam, aan het ontwikkelen: de weg van twijfel aan de eigen traditie, ironie, confrontatie, sympathie, pragmatisme, moed.

Het zijn maar een paar voorbeelden die ons kunnen inspireren op weg naar toenadering. Ze verschillen in vele opzichten, maar er gaat wel een gemeenschappelijke grondtoon achter schuil: de wil om betrokken te raken met elkaar, verzeild te raken in de nieuwe multiculturele leefomgeving. In wezen dekt het woord multiculturaliteit – culturen naast elkaar – deze houding niet meer. We moeten op zoek naar een nieuwe naam voor een samenleving die weliswaar verschillende culturele wortels kent, maar die vooral een gemeenschap is die betrokkenheid van zijn burgers koestert en cultiveert en niet de afzonderlijkheid.

Mijn zoontje zegt niet dat hij mijn religie achterhaald vindt, want dan slaan moslim-klasgenoten hem in elkaar

Mijn zoontje is in dit land een tweederangsburger zolang LPF'ers als Nawijn aan de touwtjes trekken

Wilt u reageren, mail uw reactie naar zbrieven@nrc.nl of schrijf naar het Zaterdags Bijvoegsel, Postbus 8987, 3009 Th Rotterdam.

Shervin Nekuee (1968, Teheran) is socioloog en publicist. Hij is mede-hoofdredacteur van het blad EUTOPIA.

    • Shervin Nekuee