De kunst van het onvolledige

De taak van de wetenschapsredacteur is duidelijk: wetenschappelijk nieuws onder de aandacht brengen in begrijpelijke en bondige taal. Vreemd genoeg is er weinig aandacht voor de relevantie van het nieuws dat de wetenschapsredacteur brengt. Waarop berust zijn selectie?

Een klein museumpje in de buurt van de grote stad dat een niche-markt ontdekt heeft: vertoon van de allerlaatste, allermodernste schilderijen in kort durende wisselexposities. Elke week andere schilderijen. En nooit meer dan vijftien stukken tegelijk. Een museumpje dat met deze eigentijdse formule zo'n succes heeft dat er wekelijks tien vrachtwagens voorrijden die tot de rand zijn volgeladen met de allerlaatste, allermodernste schilderijen waaruit de museumdirectie praktisch voor niets een keuze mag maken.

Dat is ongeveer de situatie waarin de wetenschapsredacties van de dagbladen zijn terecht gekomen. Zonder deze vergelijking was de wanhoop net zo makkelijk aangegeven, maar was de strict fysieke kant ervan misschien minder helder geworden. Het gaat om dat enorme aanbod enerzijds en daar tegenover die expositieruimte die gemeten wordt in vierkante centimeters. Een verdere overeenkomst tussen schilderijen en wetenschappelijk nieuws is natuurlijk dat vaak met geen mogelijkheid is te zeggen of het voor vertoning in aanmerking komt.

De wetenschapsredacties kunnen wekelijks in hun bijlagen maar hooguit vijftien, vaak nog geen tien nieuwe schilderijen ophangen en die ruimte neemt onder de huidige omstandigheden eerder af dan toe. Daar staat een stroom van wetenschappelijk nieuws tegenover die de allure van een natuurramp heeft gekregen. Bijna maandelijks worden nieuwe tijdschriften opgericht om oudere, meer gevestigde bladen te ontlasten. Internet-nieuwsdiensten, zoals die van EurekAlert en Alphagalileo, kunnen desgewenst elk half uur een nieuwe wetenschappelijke vondst op het computerscherm projecteren. Het punt waarop de afnemende meeropbrengst zozeer is afgenomen dat-ie negatief wordt is allang gepasseerd. Als EurekAlert of AlphaGalileo elk half uur een nieuwe doorbraak aan hun dagoverzicht toevoegen, dan worden EurekAlert en AlphaGalileo afgesloten.

Het is om gek van te worden en medelijden welt op bij de gedachte aan al die wetenschapsredacties die wekelijks voor al die onmogelijke keuzen staan. Twijfel knaagt aan de redacteuren, zij staan bloot aan permanente kritiek, durven zich niet meer in wetenschappelijke kring te vertonen, het verloop moet er wel groot zijn.

Welnu, dat blijkt niet het geval. Veel wetenschapsredacteuren kennen een goede nachtrust, een gezonde eetlust en een stabiel gezinsleven. Zij worden niet méér gehinderd door gevoelens van onzekerheid en schuld dan andere redacteuren. Dit journalistieke wonder is een nader onderzoek waard.

Goedbeschouwd zijn er voor de raadselachtige gemoedsrust van de wetenschapsredacteur maar twee goede verklaringen te bedenken. Of hij neemt aan dat het absoluut niet uitmaakt wat hij ervan terecht brengt, of hij heeft werkelijk het volste vertrouwen dat hij het goed doet. Er zijn natuurlijk nog andere wegen die naar volstrekte gemoedsrust leiden, maar die brengen ons niet verder.

Dat het eigenlijk helemaal niet uitmaakt wat er in de wetenschapsbijlage terecht komt, dat de lezer tussen de zwarte gaten, rode reuzen en bruine dwergen al lang de moed heeft opgegeven, is minder onwaarschijnlijk dan het misschien klinkt. Lang geleden, een jaar of vijftien om iets preciezer te zijn, heeft een wetenschapsredacteur van een kwaliteitskrant eens in een technisch stuk over een revolutionaire nieuwe wasmachine met opzet vier of vijf faliekante onzinnigheden opgenomen. Zomaar, vooral uit stilistische overwegingen, zoals hij later verklaarde. Daarop kwam geen enkele reactie, ook geen bezorgde of berispende. Zelfs toen de kwade opzet twee weken later werd bekendgemaakt, bleef de respons beperkt tot twee of drie brieven, inclusief een kort briefje van de hoofdredactie.

Ook als een wetenschapsredactie, wat wel eens gebeurt als er te weinig overleg is tussen de verschillende medewerkers, hetzelfde wetenschappelijke nieuws maar in totaal andere bewoordingen tweemaal opneemt, soms zelfs in dezelfde bijlage, dan is er bijna nooit iemand die merken laat dat het hem is opgevallen of heeft gehinderd. Bescheidenheid is dus geboden.

Dit was maar theorie. Natuurlijk kan de wetenschapsredacteur niet werken in de veronderstelling dat zijn werk er niet toe doet. Zijn vreemde gemoedsrust komt in werkelijkheid wel degelijk van het vertrouwen dat hij het er nog niet zo gek van afbrengt. De wetenschapsredacteur zal dat nooit hardop zeggen, twijfel staat aan het begin van alle wetenschap, weet hij, maar wie hem in zijn daaglijkse doen gadeslaat stelt vast: hij is niet onzekerder dan andere journalisten, terwijl toch zijn `nieuws' vaak zo heel veel moeilijker te duiden is. Een gewoon mens zou op voorhand niet weten of het bericht dat bij het bakken van brood, patat en chips kankerwerwekkende stoffen en zelfs zenuwgiffen ontstaan subiet de krant in moet of juist niet, maar de wetenschapsredacteur aarzelt niet.

De gemiddelde wetenschapsredacteur is net zo schotvast als een paard dat de Gouden Koets mag trekken. Hij heeft al heel veel meegemaakt. Hij herinnert zich nog Berhard Ulrich met zijn Waldsterben en Henk Buck met zijn HIV-remmer, hij heeft gelachen om Stanley Pons en Martin Fleischman met hun koude kernfusie en om Jacques Benveniste met zijn water vol herinneringen. Hij hoonde David McKay met zijn onzichtbare Marsbacteriën in een aardse meteoriet en Kazutoshi Kobayashi die mammoetresten wil gaan klonen. Hij weet nog hoe John Mercer en Hans Weertman vijfentwintig jaar geleden kwamen vertellen dat de zuidpoolkap kon instorten en dat dan de zee vijf meter zou stijgen. En hoe vijf jaar eerder Dennis Meadows voorrekende dat de aardolie op zou zijn voor de 20ste eeuw zou zijn verstreken. De wetenschapsredacteur kent zijn Pappenheimers en van de Pappenheimers die hij niet kent kan de databank sinds een jaar of twaalf binnen een paar minuten een complete stamboom geven.

De wetenschapsredacteur heeft van lieverlee het gevoel gekregen dat hij het aan zijn vingertoppen voelt wat de moeite waard is, wat kwaliteit heeft en wat niet. Hij is werkendeweg in het bezit geraakt van wat genoemd wordt een `geoefende intuïtie' en een `goed oordelend vermogen', schitterende capaciteiten die ook van kunstcritici en kunstjuryleden worden verwacht.

Dat zijn oordeel betrouwbaar is toont de wetenschapsredacteur, interessant genoeg, aan met een verwijzing naar de wetenschapsbijlagen van concurrerende kranten. Met die kranten bestaat volgens de gangbare mores nooit het minste overleg en toch komen ze in hun wekelijkse bijlagen bijna altijd op ongeveer het zelfde wetenschappelijke nieuws uit. Niet zelden tot aan de `openingen' en analyses toe. Er zijn wat verschillen in de columns, de illustraties en de faits divers, soms is er een themabijlage of een plechtige gebeurtenis die de regelmaat verbreekt, maar door de bank genomen lijken de wetenschapskaterns als druppels water op elkaar. De buitenstaander meent voor een mirakel te staan, de wetenschapsredacteur ziet het als een bewijs van zijn vakmanschap. Komen niet ook Science en Nature, 's werelds meest vooraanstaande wetenschapsbladen, wekelijks op praktisch hetzelfde uit? Wie er een beetje kijk op heeft hééft geen andere keuzen, meent de wetenschapsredacteur.

De wetenschapsredacteur voelt zich gesteund door de trouw van zijn lezers die in lezersonderzoeken keer op keer laten weten dat zij van alle krantenbijlagen de wetenschapsbijlage het meest de moeite waard vinden. De wetenschapsbijlage leggen zij opzij, voor later. De dankbare lezers overstelpen de redacties met complimentjes voor de informatieve artikelen. Er schrijft ook wel eens iemand dat er weer geen touw aan viel vast te knopen, maar dat is een zeldzaamheid. Waar het om gaat is dat er nooit iemand schrijft dat hij weer onmisbaar nieuws gemist heeft. Ook de collega-redacteuren van andere redacties binnen de krant klagen daar niet over, hoewel zij verder niet zachtzinnig zijn. De steeds terugkerende kritiek is dat de wetenschapsartikelen vaak nodeloos ingewikkeld zijn, en van een te hoog abstractieniveau. Vaak ook zo weinig `journalistiek', wat dat ook moge zijn. Daar blijft het bij.

Het allervreemdst is natuurlijk dat ook de toeleveraars van het nieuws, de wetenschappers en onderzoekers zoals ze tegenwoordig heten, de `geleerden' zoals ze vroeger werden genoemd, zo weinig kritiek hebben op de bijlagen. Ze zijn verbaasd en verrast, soms zelfs beduusd, als ze zelf eens in de krant mogen figureren, maar laten nooit merken het vreemd te vinden als dat anderen overkomt. Ze kennen elkaars beduusdheid niet.

Het is niet zo dat er helemaal niet wordt geklaagd. Uit de hoek van het langlopende onderzoek de hete kernfusie, de inherent veilige kernenergie, de brandstofcellen en ook het kankeronderzoek zijn goede voorbeelden worden de redacties frequent bestookt met het verwijt dat ze hun taak verzaken. Maar dat is begrijpelijk, dat soort geldverslindend onderzoek dat almaar niets concreets oplevert loopt het risico halverwege de eindsprint zonder mensen en middelen te komen zitten. Er zit niets anders op dan af en toe een levensteken te geven met een schijnsucces of ongezochte vondst. De wetenschapsredacteuren hebben begrip voor de problematiek en laten er daarom af en toe toe een berichtje over een succes in het hete fusie-onderzoek of over de schitterende toekomst daarvan doorheen glippen. Maar het moet niet te gek worden. Het heeft kwaad bloed gezet dat Britse fusie-fysici in 1991 meedeelden in een experiment twee seconden lang een vermogen van twee miljoen watt te hebben opgewekt zònder daaraan toe te voegen dat dat ternauwernood genoeg was om een fluitketel water aan de kook te brengen.

Al met al lijkt de wetenschapsredacteur inderdaad weinig aanleiding te hebben om aan de gerechtvaardigheid van zijn zelfvertrouwen te twijfelen. En toch staat wel vast dat dat vertrouwen op drijfzand, of op zijn minst op een te dunne zandplaat, is gefundeerd. Om te beginnen heeft het feit dat wetenschappers en onderzoekers zo weinig klagen over de samenstelling van de wetenschapsbijlagen natuurlijk in de eerste plaats te maken met de vergaande specialisatie in het moderne onderzoek. De tijd dat men als natuurwetenschapper bij wijze van spreken zowel astronoom als bioloog, of zowel jurist als fysicus kon zijn ligt ver achter ons. De moderne wetenschapper kan nauwelijks de ontwikkelingen op zijn eigen terrein bijhouden, over wat er buiten zijn vakgebied gebeurt is hij meestal niet beter, vaak zelfs minder geïnformeerd dan de wetenschapsjournalist.

De opvallende afwezigheid van inhoudelijke kritiek binnen de krantenredacties heeft als simpelste verklaring dat krantenredacties van oudsher voor 95 procent of meer uit journalisten met een alfa- of gamma-achtergrond bestaan, terwijl het nieuws in de wetenschapsbijlagen voor driekwart bèta-nieuws is. Met de gemiddelde krantenlezer, die meestal geen abonnement heeft op Science, Nature of The Lancet, hebben de alfa/gamma-redacteuren gemeen dat ze eenvoudigweg geen besef hebben van het wekelijkse aanbod aan bèta-nieuws. Ze weten letterlijk niet wat ze missen. Dat sluit normaal menselijk contact niet uit, maar betekent toch glashard dat de krant zelf niet als klankbord kan fungeren.

Ook de opvallende convergentie tussen de wetenschapsbijlagen van de verschillende kranten in Nederland is minder geruststellend dan het lijkt. Voor het internationale wetenschappelijke nieuws richten de diverse redacties zich bijna zonder uitzondering op het aanbod van een handvol gerenommeerde `peer reviewed' bladen. Science, Nature en The Lancet en verder de Proceedings of the National Academy of Sciences en voor het medisch nieuws ook de New England Journal of Medicine. Let wel: zij oriënteren zich op de journalistieke selecties uit het nieuws die de redacties van die bladen op internet zetten. Tegen de tijd dat de complete bladen in papieren vorm arriveren is hun nieuws al te oud voor een dagblad. Op internet vinden de redacties, als extra houvast, ook nog de selecties die de BBC en de New York Times maken uit het wetenschappelijk nieuws. In eigen land zijn er de niet altijd even makkelijk te waarderen persberichten van de universiteiten en wetenschappelijke instellingen waaraan nog wel eens een `Hollands Glorie'-luchtje hangt.

Op zichzelf is deze smalle basis al een aardige verklaring voor de grote overlap tussen de bijlagen. Maar toch, wie beseft dat er wekelijks maar plaats is voor hooguit 10 à 15 nieuwsberichten, inclusief de breeduitgemeten genrestukken, en zich realiseert dat ook altijd nog wat ruimte moet worden afgestaan aan een of andere lokale Nederlandse gebeurtenis een rapport van een adviesraad, een opvallende promotie of huldiging of de analyse van weer een gebrek aan de reactor van Petten die voelt wel aan dat er meer aan de hand is. Er is maar ruimte voor een handvol vrije keuzen en toch vallen die zo vaak hetzelfde uit. Hebben wetenschapsredacteuren werkelijk een onfeilbaar instinct voor het juiste nieuws?

Het is waarschijnlijker dat zij zich, onwillekeurig en onbewust, op dezelfde wijze door het leven slaan als die andere beslissers in onzekere en onduidelijke kwesties: de kunstkenners en kunstcritici. Ook die handhaven zich dankzij hun overtuiging een aangeboren of verworven gevoel voor kwaliteit te bezitten. Het bewijs dat dat zo is wordt, menen zij, overtuigend geleverd door andere gerenommeerde kunstkenners die steevast dezelfde kunstuitingen de moeite waard of juist waardeloos vinden de wisselwerking heeft menig kunstenaar tot razernij gebracht.

Het is een patroon, om het woord syndroom te vermijden, dat sociologen aanduiden met `consensual validation'. In hun behoefte of taak om zich tegenover andere redacties binnen hun krant te rechtvaardigen voor het opnemen of negeren van vreemd nieuws het gevreesde debunken ontlenen de wetenschapsredacties hun gezag, bij gebrek aan beter, aan elkaar. Het bewijs dat de ene wetenschapsredactie een goede keuze uit het nieuws maakte wordt geleverd door de andere wetenschapsredactie, en andersom. Het was onzin om over de gevaren van acrylamide of die van de reactor in Petten te beginnen. Ziemaar: de andere kwaliteitskrant deed het ook niet. Het is een virtuele omarming die velen ontgaat.

Overigens bestaan er op kleinere schaal nog wel meer cirkeleffecten. Als één krant een vermeende wetenschappelijke doorbraak zwaar aanzet ontstaat er, zeker als ook de jongens van de televisie een duit in het zakje doen, vaak zoveel commotie dat de andere krant niet achter kan blijven. Of hij wil of niet. En zwaar gehinderd door het gegeven dat het onmogelijk is in een stevig artikel aan te tonen dat iets niet het vermelden waard is.

Al met al is het helemaal niet zo zeker dat de Nederlandse krantenlezer een verantwoorde steekproef uit het wetenschappelijk nieuws krijgt opgedist. Er zijn van die terugkerende hoogtepunten zoals de maand oktober met de uitreiking van de Nobelprijzen of de kerstweek waarin Science de belangrijkste doorbraken van het voorbije jaar tabelleert, waarop ook wel eens enige onbehaaglijkheid ontstaat. Hoe heette die Nobelprijswinnaar precies? Maar met wonderlijk gemak worden de klassieke afweermechanismen in stelling gebracht. Journalistiek is nu eenmaal de kunst van het onvolledige. Niemand kan zeggen wanneer de selectie van het wetenschapsnieuws wèl goed is. Het is nooit te laat om een belangrijke wetenschappelijke ontwikkeling in de krant te zetten. Zo'n Nobel-comité moet toch ook wat. Of deze: het kan zijn dat selectie nog niet helemaal optimaal is, maar zij is in ieder geval beter dan vroeger. Sla maar eens een paar oude kranten op.

Een probaat middel om het geweten te sussen is inderdaad een gang naar de leggers van Nederlands oudste kranten. Zonder overdrijving valt te beweren dat het wetenschappelijk onderzoek halverwege de negentiende eeuw net zo baanbrekend was als nu en dat het niet minder ingreep in het dagelijks leven. De thermodynamica, de geologie en paleontologie, de fysica van elektriciteit en magnetisme, de organische en anorganische chemie, de wetenschappelijke fundering van de landbouw raakten rond 1850 in een stroomversnelling. Maar de Nieuwe Rotterdamsche Courant, toen net zo goed een pure handelskrant als het Algemeen Handelsblad, nam eigenlijk alleen het wetenschappelijk nieuws op met economische implicaties: nieuwe soorten kunstmest, stoommachines met verbeterd rendement, bestrijding van de aardappelziekte. Trouwhartig werden de bijeenkomsten en vergaderingen van allerlei natuurwetenschappelijke genootschappen, gezelschappen en maatschappijen verslagen, maar zonder diep in te gaan op de aard van de lezingen en demonstraties. De Nederlandse krantenlezer die al die bijeenkomsten niet bezocht werd er nauwelijks over geïnformeerd.

Hoe erg was dat toen? Hoe erg is het nu als de wetenschapsredactie de plank flink misslaat? Hoe erg is het als de lezer niet te horen krijgt dat de stelling van Fermat eindelijk bewezen is en dat het met het vermoeden van Catalan de goede kant op gaat? Dat het heelal niet zwelt maar krimpt, of dat er twee heelallen zijn? Is wetenschappelijk nieuws in dagbladen, zoals wel eens glashard is beweerd, in de eerst plaats divertissement of op op zijn best iets dat vergelijkbaar is met de stukken in het cultureel supplement? Nice to know?

Zó vrijblijvend is het zeker niet. Veel wetenschappelijk nieuws speelt een voorname rol in allerlei maatschappelijk debat: gezondheidszorg, genetische manipulatie, culturele integratie, onderwijs, natuurbeleid, mobiliteit, broeikaseffect en energiebeleid. Need to know. Maar het feit blijft dat er geen volstrekte helderheid bestaat over de rol die de wetenschapskaternen vervullen. Alleen daarom al is het onmogelijk aan te geven wanneer de nieuwsselectie goed was, het is een vreemde constatering.

De ervaring heeft geleerd dat het geen zin heeft de lezer om handvatten en richtsnoeren en andere hulpmiddelen te vragen en van de mede-redacteuren uit andere redacties binnen de krant valt, zoals gezegd, ook maar beperkte steun te verwachten. Dan blijven, in ijzeren logica, uitsluitend de Nederlandse universiteiten en wetenschappelijke instellingen over om zich eens over de kwaliteit van de wetenschapskaternen uit te spreken. Per slot zijn zij niet zelden rechtstreeks betrokken bij onze berichtgeving of het ontbreken daarvan. Wat ligt er eigenlijk meer voor de hand dan dat zij met een zekere regelmaat, laten we zeggen eens per twee jaar, laten weten welk wetenschappelijk nieuws in welke krant stelselmatig ontbrak of juist zwaar werd overbelicht? Hoe onevenwichtig of juist fijn uitgebalanceerd onze berichtgeving was?

Het hoeft geen zwaarwichtige exercitie te worden, niemand zit te wachten op commissies en rapporten en de kans dat wij ons de kritiek en aanbevelingen aantrekken is natuurlijk gering, maar toch: als men het ludieke zou weten te vermijden zou het de kwaliteit van de wetenschapsjournalistiek kunnen verbeteren. Nu roeien wij vaak op oeverloos water, het zou niet gek zijn als er wat vaker een baken in beeld kwam.

Bovenstaande beschouwing is een bewerkte versie van de tekst die Karel Knip, redacteur van NRC Handelsblad, gisteren uitsprak op een symposium over wetenschapsjournalistiek in Amsterdam. Het symposium werd gehouden ter gelegenheid van het eredoctoraat dat de Vrije Universiteit gisteren aan Knip toekende.

    • Karel Knip