Buren Amsterdam Rijnkanaal

Joyce Roodnat loopt door Nederland en de rest van de wereld. Deze week in de Betuwe.

In de rode kerktoren van het poppenhuis-stadje Buren speelt het carillon het lied van Piet Hein en de zilvervloot. De grijze zwik-keitjes zijn geveegd, de gevels van de middeleeuwse huizen schoon en de ruiten van de koffiehuisjes blinken. Pomp, waag en stadspoorten haken naar bezichtigers en de molen is `open'. Op Burens stadswal stort uit een van de bomen een zwerm noten, als voetzoekers schettert hun gekletter tegen het grind. Hoog in de kruin van de boom schudt een man aan de takken om een maaltje te oogsten.

In een weitje even buiten Buren bedient een paard zich van dezelfde techniek om een appel te plukken. Het paard is diepbruin, het draagt een bemodderde blauwe jas. Met gestrekte hals houdt het een tak van een appelboom tussen zijn tanden geklemd. Het rammelt er wild mee. Soms ontsnapt de tak, maar dan reikhalst het paard opnieuw en het houdt niet op met schudden voor er een appel voor zijn hoeven is geploft. Hap. Kauw. Op.

We lopen over vriendelijke smalle asfaltwegjes die leiden langs weidegrond met koeien of vaak zwartwitte geiten, en langs kale akkers. Maar het doel van deze route zijn de beroemde Betuwse fruitboomgaarden. Ze liggen achter verroeste rood-groene toegangspoorten of ze gaan schuil achter beuken- of elzenhagen. De fruitbazen van de Betuwe heten allang geen Flipje meer en ze malen niet om romantiek. Ze telen hun vruchten niet aan bomen met sierlijke wijde kronen als antieke lampenkappen of omgekeerde kroonluchters. Regimenten korte magere stammen kweken ze, strak in het gelid en met weinig blad. Zonder steunstaken zouden de stokstammetjes omkiepen onder het gewicht van de obsceen dikke appelen die zo wurgend dicht in hun oksels groeien, dat het lijkt of de appels rood zien van benauwdheid.

Op de fraaie velden van het landgoed Soelen worden de middeleeuwen over je uitgeworpen, mede door de aanblik van het kasteel dat een cluster aaneengeschakelde verdedigingstorens lijkt. `Verboden toegang' staat er op de poort. Het is niet nodig, je zou niet durven. Je voelt je hier al een indringer als je iets onschuldigs doet, zoals onder een prikkeldraadversperring doorkruipen om een stukje heen-en-weer-lopen af te steken.

Eindelijk is daar de Linge, voor het eerst en voor het laatst in dit gedeelte van het Lingepad. Het riviertje legt lussen in het gras of het een strik wil maken. Het feest duurt kort. De laatste 4 kilometers zijn ononderbroken wandelcorvee en dat komt niet door de grimmige wind. Vrachtauto's denderen langs, stof en zand wervelen op en in de fruitgaarden worden hier de iele stokkebomen gestut met vierkante betonnen palen. Na de autoweg leidt de route over een bedrijventerrein en loopt vervolgens langs een blinde muur dood op een hek, nieuw, hoog en met prikkeldraad. Eroverheen brengt ongelukken, maar wie het hek linksaf volgt kan er omheen (hoelang nog?) en wordt beloond met de geur en de zakelijke schoonheid van de Bernhardsluis in het Amsterdam-Rijnkanaal.

15 km. Kaarten 6 tm 10 uit:

G. en C. Overdijk, H. Verhoef:

Lingepad. Uitg. Wandelplatform-LAW, Amersfoort.