Zo volledig alom afwezig

Sinds zijn vierde dichtbundel, het gebruik van woorden (1958), heeft Gerrit Kouwenaar zich in zijn poëzie bezonnen op wat in die titel is uitgedrukt. Dichten werd decennia lang bovenal woorden hanteren, een dagtaak in het taallaboratorium. Het resultaat van die arbeid liet zich omschrijven als `onpersoonlijke poëzie' – een poëzie die de emotie achter zich heeft gelaten. Een gedicht van Kouwenaar was geen beschrijving van de werkelijkheid, maar zelf werkelijkheid. De aanleiding tot het gedicht ontbrak, of was in woorden weggewerkt. Biografische feiten en persoonlijke emoties waren uit de poëzie van Kouwenaar niet af te lezen. Dat was fascinerend voor jonge dichters die zelf zo wilden schrijven, maar soms uiterst verwarrend voor lezers die herkenning zochten. Zeker als de dichter zijn personage als `men' ten tonele voerde, en dat deed hij frequent.

Die `men' is ook na 1990 nog dikwijls de protagonist in Kouwenaars poëzie, maar de omgeving waarin hij zijn rol vervult is niet meer uitsluitend een taaldecor. Het biografische referentiekader is niet langer verstopt; de deur van het taallab is op een kier gezet. Niettemin vergt de poëzie van Kouwenaar actieve lezers. Ik `wik hoe het wit per regel ontregelt' meldde de dichter zelf in zijn `gedicht van woorden gemaakt'. En ontregelen doet hij: in forse enjambementen, verrassende paradoxen, snel wisselende associaties en onverhoedse spijs- en drankmetaforen.

De eerste bundel waarin ik al lezend de indruk kreeg dat de vitrages van de dichter niet meer dichthingen, was een geur van verbrande veren (1991). De toonzetting scheen gemoedelijker dan in het eerdere werk, relativerender ook, milder gestemd. De techniek was dezelfde en nog altijd was er de gebiedende wijs, maar bij veel verzen was de aanleiding nu zichtbaar, en niet alleen tussen de regels. Die openheid zette door in de tijd staat open (1996) en een glas om te breken (1998) en is er ook weer in Kouwenaars nieuwste bundel, totaal witte kamer.

Opnieuw blijkt de constante kwaliteit van Kouwenaars dichtkunst. Elk gedicht in deze nieuwe bundel is goed, en veel verzen zijn wondermooi tot ontroerend. De eerste cyclus is een glas om te breken, die eerder als leporello bij de vijfenzeventigste verjaardag van de dichter verscheen. Daarna volgen elf gedichten die in opdracht geschreven zijn, of aan een vriend of bekende zijn opgedragen. En ten slotte is er de titelcyclus van de bundel, totaal witte kamer, waarin de dichter zijn rouw over de dood van zijn vrouw verwoordt. Meer dan ooit heeft Kouwenaar hier beheersing op emoties afgedwongen. `Dat je door het huis loopt', schrijft hij in het gedicht `niet geschreven': `dat kan niet waar zijn, niet gezegd/ niet gehoord niet geschreven [...] je bent zo volledig alom afwezig, zozeer/ in verhangen kleren onteeuwigd/ dat je koude voeten mijn passen inhouden/ op de verbruikte stilstaande treden/ van de weerloze trap naar beneden.' Ook de eigen sterfelijkheid is onderwerp in totaal witte kamer. In het gedicht `in de boomgaard' bijvoorbeeld:

Dichter, ik ben er weer even, ik schrok

in je wakker, loop met je mee

door de roerloze toekomst van ons verleden

alles is dichtgegroeid, aan dit leven

valt niets meer te doen, alles volledig

overal schemer, licht zonder hemel, is dit

een foto, waar is de bodem, waar is

de steen op de zucht van de hond

je zit voor het raam, ik zie helder

wat ik niet zie, een lichaam bekneld

in zijn stilstand, zijn woorden

ooit zagen wij in een vitrine een steen

als de onmondig sprekend gelijkende

duurzame geest van een brood

dichter, niets rijmt op dood, ik streel

het ontaarde fluweel van mijn nachtgoed, ga weer

in je slapen –

Het gedachtestreepje vervangt al sinds 1982 de punt in gedichten van Kouwenaar. In totaal witte kamer deed dit leesteken mij voor het omslaan van de bladzij soms even de adem inhouden – werd het letterlijk pauzeteken.

Bij alle droefenis in deze bundel ontbreekt toch de humor niet. `Vergeet je wel eens je vaders klok op te winden?' vraagt de dichter in `a happy childhood'. Het antwoord is even grotesk als verwarrend: `ja, ik vergeet wel eens mijn vaders tijd te vergeten'. Zulke regels verwacht je veeleer in het werk van Bert Schierbeek. Het zal ook geen toeval zijn dat het volgende gedicht in de bundel een doorleefd in memoriam voor die dichter is. Meer dan andere verzen in Kouwenaars oeuvre heeft dit gelegenheidsgedicht een sterk anekdotisch gehalte; maar in de slotcoupletten herneemt de dichter zijn vertrouwde stiel:

nu is het dus later, een avond na jaren, de dood

stille trein is vertrokken, de tijd van het lot

is verstreken, je reisgids ligt open

onder eendere oudere bomen, drink ik

de hese stem van je woorden, hoor ik je stilte –

Tijd en stilte zijn sleutelwoorden in deze bundel. Het kon ook niet anders. `Alles heeft hier liggen marineren in de doodsgedachte', schreef de jury van de VSB Poëzieprijs in 1997 over de tijd staat open. Dat geldt ook voor totaal witte kamer. Niettemin is er, zelfs in de verdrietigste verzen, nog altijd dat `genietend taalepicurisme', zoals Herman de Coninck het noemde. Zelfs in het laatste gedicht van de bundel, `dus vredig de avond', heerst woorddrift. `Terwijl het laatste gedicht het tijdstip verteert,' schrijft Kouwenaar, `staat de maker geledigd op van zijn tafel/ hij reinigt zijn vleesmes en kijkt uit het raam.' Daar zieltogen de bladeren `verlost van hun zomer, de windengel hurkt/ in het eeuwige onkruid en wacht tot er tijd is.' Volgt een couplet over een vredige avond vol afscheid en oorlog, waarna de dichter haast zelfvoldaan concludeert:

nu nog iets eetbaars, bloedbeuling witbrood

dan eindelijk slapen, zwart is de mode –

Gerrit Kouwenaar: totaal witte kamer. Querido, 47 blz. €16,95

    • Arie van den Berg