Wraak van de puber

Bob Fosse groeide op tussen hoeren en dronkaards, en werd een van de grootste Broadway-choreografen. Over de bron van de musical `Fosse'.

Aardig zijn ze niet, Fosse-dansers. Je mag blij zijn dat ze je toestaan naar hen te kijken. Naar hun benen, die flitsend uitschieten, tergend terughouden en soms tot hun oren reiken. Naar hun armen, die meanderen als slangen om een boom. Hun handen, nu eens wijdgespreid, dan weer gekromd om een onzichtbaar zachtgekookt ei, lijken zelfstandige wezens, naar believen het ritme aangevend of volgend. En dan die zelfverzekerde koppen: meestal getooid met bolhoeden of andere ouderwetse hoofddeksels, waarvan de randen om de haverklap worden beroerd met duim en wijsvinger, zoals men volgens de etiquette een theekopje bij het oortje neemt.

Ootmoed is Fosse-dansers vreemd. Ze paraderen over het podium als onbereikbare koopwaar op een catwalk voor dure nachtclubs, met dit verschil: ze lonken niet. Of ze katten zijn, die het niet uitmaakt dat hun aaibare vacht tot strelen noodt, anticiperen ze op het erotiserend effect dat ze op de voyeurs hebben. Hun missie is niet de verleiding, daarvoor weten ze te goed dat ze even sexy als ongenaakbaar zijn.

Echte Fosse-dansers, vrouwen en mannen, zijn uitgerust met zinderende spieren, in toom gehouden door een keurslijf, net zo strak als hun overwegend zwarte, nauwsluitende kostuums; streng als een poolwinter van buiten en borrelend als lava van binnen. Uitdagend, maar nooit ordinair en wars van enig sentiment dat de heldere lijn kan bezoedelen.

Zonder de aanstekelijke humor, de camp-achtige ironie van hun schepper waren Fosse-dansers onuitstaanbare krengen.

De Amerikaanse choreograaf Bob Fosse (Chicago, 23 juni 1927 – Washington, 23 september 1987) bracht zijn jeugdjaren tijdens de Depressie en de Tweede Wereldoorlog voornamelijk door in morsige clubs. Tussen de hoeren en pooiers, de stripteaseuses en burleske artiesten, de dronkaards en dealers, trad hij met de een jaar jongere Charles Grass op in een dansact: The Riff Brothers, Dancers Extraordinary. Ze zaten nog op school, leidden dubbellevens. Overdag het klaslokaal, in de weekends de zelfkant.

Oud genoeg om te begrijpen waar het om draaide, te jong om er mee om te kunnen gaan, werd Bob Fosse geïnfecteerd door de tombola van verloedering, waar seks altijd prijs was en de vorm er niet toe deed.

Charles Grass deed eindexamen. Bob Fosse niet. Grass werd gasfitter. Fosse promoveerde van obscure vaudeville-danser tot de laatste grote Broadway-choreograaf van de twintigste eeuw, wiens zinnelijke stijl herkend wordt door mensen die zijn naam niet eens kennen. Een vreemde speling van het lot voor een man wiens tweede levensbehoefte het was om herkend te worden, het eclatante succes van zijn shows en films ten spijt.

Talloze anekdotes vertellen over Fosse's pogingen op straat (in New York) aangesproken te worden. Als zijn onderzoekende blik in de ogen van voorbijgangers niets opleverde, wilde hij zelfs wel eens enkele van zijn karakteristieke danspassen uitvoeren, net zolang tot het verlossende woord er uitkwam: Why, you're Bob Fosse! Jazeker, hij was Bob Fosse van Sweet Charity, Dancin', Cabaret en Chicago om er een paar te noemen. Zijn prijzenkast stond vol, zijn agenda puilde uit.

Of in al die succesrijke jaren een voorbijganger hem herkende als de magere, elastische jongen die zich opgelaten en vernederd had gevoeld zodra de zweterige atmosfeer achter de coulissen van de clubs hem opwond, vertelt de geschiedenis van Bob Fosse niet. Feit is dat de goedkope wellust hem nooit los heeft gelaten, alsof hij in leven en werk de rode schoentjes uit het naargeestige sprookje van Hans Christiaan Andersen had aangetrokken. Om ze nooit meer uit te kunnen doen. Tot hij er, doodgedanst, -gerookt, -gesnoven, -gezopen en -gevreeën, bij neerviel. De voorspelling die hij deed in de autobiografische film All that Jazz, zijn exuberante ode aan de doodsdrift, was uitgekomen.

Hij liet een klassiek geworden oeuvre na, dat op een wonderlijke manier al gedateerd was toen hij het maakte. Gedateerd in de letterlijke zin. De periode die voor altijd Fosse's inspiratiebron bleef, was namelijk voorbij toen hij haar herschiep in geabstraheerde scènes en ensceneringen, die herinneren aan de schemerige entourage van hotshots en hoodlums in sleazy joints tijdens de beruchte Drooglegging. De boemelarij van Chicago's grimmigste periode.

De personages die de clubs in Fosse's vormende jaren bemanden (en vooral bevrouwden) sijpelden in zijn werk door. Gemaskeerd natuurlijk, want wat Fosse deed was de vulgariteit stileren.

De schaars geklede Sally Bowles, de beroemde rol van Liza Minnelli in de film Cabaret, is weliswaar een geloofwaardige nachtvlinder (`What good is sitting all alone in your room/ Come, hear the music play'), maar aan haar uitvoering zouden authentieke nachtvlinders niet kunnen tippen. Zoals het ook niet waarschijnlijk lijkt dat de strippers uit Fosse's jeugdjaren in staat waren geweest zo'n perfect provocerende chorus line te formeren als in Sweet Charity (`The minute you walk in the joint/ I could see you were a man of distinction/ a real big spender'). De daden waarvoor de moordenaressen uit de zwarte komedie Chicago zijn veroordeeld (`and then he walked into my knife/ he walked into my knife ten times!'), werden losjes gebaseerd op bestaande gebeurtenissen, maar die echte daders zouden, als ze al een voorstelling konden bijwonen, zichzelf misplaatst hebben gevoeld.

Andersom geldt evenzeer: Liza Minnelli, maar vooral ook zijn muze en door Fosse's onvermoeibare veelwijverij geplaagde echtgenote Gwen Verdon, en Ann Reinking, zijn schatbewaarster, die nu verantwoordelijk is voor de show Fosse, zij zouden het geen moment hebben uitgehouden in de oorsprong van Fosse's inventiviteit. Voor hemzelf moeten die twee werelden, de echte en de theatrale, onverbrekelijk verbonden zijn gebleven. Dichtbij, als de snap! van duim en middelvinger.

Alleen Charles Grass, die zijn hele leven in Chicago is gebleven, zal in staat zijn geweest de bronnen aan te wijzen; kon in het decor van het Berlijnse Cabaret details zien van de nachtelijke krochten waar The Riff Brothers hun act opvoerden, ontdekte in Sweet Charity sporen van de liederlijke vrouwen van toen, die de jongens opjuinden door ontkleed te koop te lopen in de smoezelige kleedkamers. Fosse sublimeerde de motieven waar hij als jongen door geïntimideerd en gefascineerd was. Misschien was dat wel de ultieme wraak van de puber op de vernederingen.

Maar er was meer. Zonder zijn oorspronkelijkheid en talent was hij de anonimiteit van de vaudeville nooit ontstegen. Bovendien was hij onvermoeibaar, net als zijn twee belangrijkste Broadway- en Hollywood-voorgangers: Fred Astaire en Gene Kelly.

Het verhaal gaat dat Fosse, eenmaal in Hollywood beland, repetities van Astaire op de achtergrond van een set bijwoonde en bleef repeteren tot hij de routine van de meester onder de knie had. Op een gegeven moment schopte Astaire met de weergaloze flair hem eigen een punaise weg – het had niets te maken met de choreografie. Fosse wist dat niet en oefende net zolang tot hij ook dit onderdeel van de serie passen feilloos kon nadoen.

De dansers die werden uitverkoren met hem te werken, moesten dan ook repeteren tot ze de Fosse-etiquette van voor naar achteren konden dromen. Tot ze Fosse-dansers waren. Compleet met de beroemde backflip, de achterwaartse salto.

Fosse zelf is uitentreuren gekopieerd, of geciteerd, zoals dat in danskringen heet. Zijn directe, economische arsenaal van impliciete erotica bleek een bron van inspiratie voor bijvoorbeeld de videoclip. Neem Michael Jackson, die de juiste elastieken spankracht van ene Fosse-danser bezit. Jackson is in zijn roofdierachtige bewegingen, inclusief het hoofddeksel als dansant attribuut, overduidelijk schatplichtig aan de meester. Het valt zelfs te betogen dat Jacksons beroemde moonwalk (waarbij hij zich in een ogenschijnlijk glijdende vaart achteruit beweegt, door zijn zolen beurtelings af te rollen) stamt van het magistrale voetenwerk van de Fosse-dansers. Misschien komt het overigens door een gebrek aan uitdagingen, dat Jackson voornamelijk epateert met herhalingen van zijn beste routines, en zich jammer genoeg nooit meer heeft vernieuwd.

Compromisloos trouw aan zijn motieven zocht Fosse in zijn choreografieën telkens naar nieuwe toepassingen. Zijn lust is en blijft een lust voor het oog.

    • Jessica Voeten