`Ons werk gaat over antimenselijkheid'

De broers Jake en Dinos Chapman maken kunstwerken die veelal als aanstootgevend beschouwd worden. Zelf vinden ze dat overdreven. `Wij nemen humor heel serieus.'

Beeldend kunstenaars Jake en Dinos Chapman lopen door de zalen van het Groninger Museum en bekijken de inrichting van hun eerste museale solotentoonstelling. ,,Moet je die etsen zien'', zegt Dinos, wijzend op een muur met tientallen kleine lijstjes die kris-kras door elkaar hangen. ,,Het lijkt wel een beest met poten en een staart.'' Zijn broer Jake bestudeert de wand van een afstandje en barst in lachen uit: ,,Inderdaad. Ze hebben er een Nederlandse krokodil van gemaakt.'' Het tweetal loopt verder naar de volgende ruimte, waar een soort totempaal van aan elkaar gegroeide kinderlichaampjes is neergezet. Het beeld, dat door de toevoeging van levensechte penissen en vagina's op een bizar seksattribuut lijkt, wordt belicht door het blauwe schijnsel van de felgekleurde muren. ,,Deze zaal is prachtig'', zegt Jake. ,,Net een pornolounge.''

Het is de dag voor de opening en het museum is gevuld met journalisten die op de persvoorbezichtiging zijn afgekomen. Fotografen hollen achter het beroemde Engelse duo aan en proberen hun portretten te schieten. De Chapmans, allebei boomlang en jeugdig gekleed in T-shirt en spijkerbroek, trekken zich weinig aan van de flitsende camera's. Ze zijn de media-aandacht wel gewend. De broers worden, samen met kunstenaars als Damien Hirst en Tracey Emin, gerekend tot de belangrijkste vertegenwoordigers van de beruchte Young British Art-beweging. In eigen land zijn hun gezichten regelmatig terug te vinden op de society pages.

Wegens hun shockerende, over seks en geweld verhalende kunstwerken worden Jake (1966) en Dinos (1962) Chapman wel de enfants terribles van de kunstwereld genoemd. Het is een reputatie die ze graag levend willen houden, zo blijkt uit hun puberale gedrag tijdens de persconferentie. Terwijl museumdirecteur Kees van Twist een serieus verhaal afsteekt en het oeuvre van de Chapmans vergelijkt met oude meesters als Dürer, Bosch en Breughel, zitten de broertjes samen te ginnegappen en te zwaaien naar bekenden in het publiek. Wanneer Van Twist hun vraagt of ze zichzelf willen introduceren, klinkt er een eenstemmig `Nee' uit hun monden. De vragen die vervolgens door de aanwezige journalisten gesteld worden, beantwoorden de Chapmans steevast met melige oneliners.

Verlegen

Als ik Jake Chapman even later alleen spreek, komt hij opeens een stuk serieuzer en charmanter over. Zonder zijn grote broer aan zijn zijde lijkt hij zelfs een beetje verlegen. Ze zijn erg blij met de inrichting van de tentoonstelling, vertelt Jake. Hij praat zacht en extreem snel. ,,Als je de zuurstokkleurtjes van de muren wegdenkt is dit eigenlijk een vrij conventioneel museum. De ruimtes in deze vleugel zijn heel minimalistisch en doen denken aan het werk van Sol LeWitt. Het klinkt misschien gek, omdat ons werk zo gedetailleerd en figuratief is, maar we hebben grote bewondering voor de Amerikaanse minimal art. Iemand als Sol LeWitt maakte gebruik van disfunctionele, repeterende elementen. Ook al onze werken gaan over herhaling. In wezen zijn onze beelden heel minimalistisch. Alles is seriematig gemaakt en alle afzonderlijke onderdelen kun je in de winkel kopen. Het enige verschil is dat wij de taal hebben aangepast aan de eisen van deze tijd. Het is nogal amodieus om nu monochrome minimalistische beelden te maken.''

We lopen door een zaal waarin een maquette staat van een McDonald's-filiaal. Het wegrestaurant is deels platgebrand en omheind met prikkeldraad. Groepen speelgoedsoldaatjes, allemaal voorzien van swastika's, bestormen de poorten. De nazi's worden nauwlettend in de gaten gehouden door tientallen aasgieren. Het werk heet Arbeit McFries en stamt uit 2001. Even verderop hangt een serie mierzoete, maar technisch knap geschilderde doeken van jonge katjes met vergroeide koppen. De schilderijen zijn in hetzelfde jaar ontstaan als de gruwelijke McDonald's-scène. Een groter contrast is nauwelijks denkbaar.

,,Die poezenschilderijen zijn in twee weken tijd gemaakt'', legt Jake Chapman uit. ,,Een bevriende galeriehouder uit Londen vroeg ons of wij een goede kunstenaar kenden die snel een tentoonstelling kon maken. Toen zeiden we dat we nog twee interessante vrouwelijke kunstenaars kenden, Jackie en Denise Chapwoman, en hebben we deze schilderijen geëxposeerd. We hebben altijd geprobeerd een niet-lineaire richting aan ons oeuvre te geven, door steeds radicale verschuivingen aan te brengen. Het ene moment maken we hele gelikte mannequins van fiberglas, en vervolgens switchen we naar zoiets ouderwets als etsen. Onze volgende tentoonstelling zou heel goed uit bloemschikkunst kunnen bestaan, of uit geaquarelleerde zeegezichten.''

Even lijkt het of Jake weer in zijn rol van opstandige puber vervalt, maar dan vervolgt hij zijn verhaal op ernstige toon: ,,Door ervoor te kiezen om samen te werken hebben we een bom gelegd onder het idee dat een kunstenaar een samenhangende persoon is, die zich op een chronologische manier ontwikkelt. Wij maken werk dat antichronologisch en zo schizofreen mogelijk is. Dus het idee om huiselijke kattenschilderijen te maken, is voor ons heel plausibel. We kunnen het ons veroorloven om rare sprongen te maken. Alle materialen zijn voor ons bruikbaar. Ook al schilderen we prachtige idyllische landschappen, dan zal de toeschouwer er toch iets afstotelijks in zien. Door de associatie met de andere werken uit ons oeuvre wordt alles meegesleept in een soort nihilistische, pessimistische sfeer.''

Sommige critici hebben de verklaring voor het provocatieve karakter van de Chapmans gezocht in hun saaie jeugd en hun burgerlijke opvoeding. De broers, die beiden uiterst beschaafd Engels spreken, komen uit een conventioneel middle-class milieu. Ze groeiden op in het plaatsje Cheltenham in het westen van Engeland en verhuisden op jonge leeftijd naar Hastings, een stad aan de zuidkust. Hun vader was een kunstdocent die dierenarts werd, hun moeder een Cypriotische vrouw die het Grieks-orthodoxe geloof aanhing. Na hun middelbare school volgden de Chapmans verschillende kunstacademies in Londen en kwamen vervolgens in 1988 samen op het Royal College of Art terecht, waar Jake zich specialiseerde in beeldhouwkunst en Dinos in schilderkunst.

Olifantenpoep

Zelf willen de kunstenaars weinig loslaten over hun privé-leven. ,,Mensen vragen altijd naar onze achtergrond, naar onze ouders'', zegt Jake. ,,Alsof onze biografie inzicht zou kunnen geven in de betekenis van ons werk.'' Soms vertellen ze anekdotes waarvan niemand weet of ze waar zijn. Bijvoorbeeld dat hun oudere zus vrijwilliger was in de Londense dierentuin en de olifantenpoep leverde voor de schilderijen van Chris Ofili, de kunstenaar die in de Londense wijk Hoxton tussen de beide Chapmans in woont. In interviews worden de kunstenaars steevast op dezelfde manier getypeerd. Brildrager Dinos, vader van twee kinderen, is het rustige broertje. Jake, met het kaalgeschoren hoofd, is de wilde jongen die op een motor rijdt en zich graag in het gezelschap van fotomodellen als Kate Moss vertoont.

Het heeft ervoor gezorgd dat de Chapmans een soort stripfiguren zijn geworden. Hun imago is vergelijkbaar met de cultstatus van dat andere beroemde Britse duo, de kunstenaars Gilbert & George. Tijdens hun studie werkten Jake en Dinos als assistenten van Gilbert & George. De symbiotische manier waarop zij samenwerkten, is ongetwijfeld een inspiratiebron voor de Chapmans geweest. In 1992 maakten de broers middels een manifest kenbaar dat zij voortaan ook als twee-eenheid zouden opereren. ,,Het was een besluit dat uit noodzaak geboren werd'', grapt Jake. ,,Met zijn tweeën hadden we net genoeg talent om het werk van één kunstenaar te maken.'' Hij geeft toe dat ze af en toe knallende ruzies hebben over de uitwerking van hun beelden. ,,Ons werk is gebaseerd op onenigheid. Dat maakt het alleen maar interessanter.''

Een van hun eerste gezamenlijke werken was The Disasters of War (1993), een driedimensionale uitvoering van de beroemde gelijknamige serie etsen van de Spaanse kunstenaar Francisco Goya. Op 83 kleine eilandjes van kunstgras bouwden de Chapmans met plastic soldaatjes de bloederige scenes na die Goya naar aanleiding van de Frans-Spaanse oorlog van mei 1808 getekend had. Een paar jaar later brachten Jake en Dinos opnieuw een hommage aan de Spaanse kunstenaar, ditmaal met een serie etsen die precies hetzelfde formaat hadden en dezelfde thema's verbeeldden als Goya's originelen. Toen het British Museum de serie in 1999 in haar geheel aankocht en exposeerde naast meesterwerken van Michelangelo en Leonardo Da Vinci, sprak de Engelse pers er schande van.

Anusmonden

Maar hun grootste vijanden kweekten Jake en Dinos met hun realistische, levensgrote beelden van kinderen met penisneuzen en anusmonden. `Pervers', noemde burgemeester Rudolf Giuliani van New York de sculpturen toen deze in 1999 in het Brooklyn Museum te zien waren. Andere geruchtmakende werken waren Übermensch (1995), een gelijkend wassen beeld van de gehandicapte professor Stephen Hawking die in zijn rolstoel op een hoge rots naar het heelal staart, en Bring me the head of Franco Toselli (1994), dat het afgerukte hoofd van een Italiaanse kunsthandelaar verbeeldt. Toselli zou, zo gaat het verhaal, aan de Chapmans een presentatie van hun werk beloofd hebben die hij bij nader inzien introk. Bij het beeld hoort een pornofilm waarin twee actrices zich met het afgehakte hoofd vermaken. Beide werken maken deel uit van de tentoonstelling in het Groninger Museum.

Een groot voorstander van het werk van Jake en Dinos Chapman is reclamemagnaat Charles Saatchi. Hij begon hun werk vanaf 1994 te verzamelen en nam ook enkele beelden van de broers op in Sensation, de inmiddels legendarische tentoonstelling uit 1997 die de jonge Britse kunst in één klap internationaal op de kaart zette. Zelf hebben de Chapmans zich altijd kritisch uitgelaten over het verschijnsel Britart. ,,Ik ben heel erg allergisch voor dat soort nationalistische indelingen'', zegt Jake. ,,Als mensen zeggen dat ons werk zo Brits is, reageer ik altijd terughoudend. Het is waar dat er een soort anarchistisch spoor door de Britse cultuurgeschiedenis loopt, denk maar aan de punkbeweging. En natuurlijk is ons werk geconditioneerd door de omgeving waarin we leven. Maar in onze woonplaats Londen wordt die samenleving gevoed door talloze andere culturen. Als je ons werk reduceert tot een nationalistische basis, verlies je bovendien de hele achtergrond waaruit het is voortgekomen, namelijk de Amerikaanse en Europese kunstgeschiedenis. Daarom hebben we ons altijd gewapend tegen cultureel imperialisme van ons werk. Tegelijkertijd was het natuurlijk erg moeilijk om niet mee te liften met het succes van de Britse kunst.''

Het voorlopige hoogtepunt uit de carrière van de Chapmans – en het middelpunt van de tentoonstelling in Groningen – is Hell (1999-2000), een werk waar de broers meer dan twee jaar lang met een groep assistenten aan werkten. De installatie, geïnspireerd op een moordpartij uit de Tweede Wereldoorlog waarbij de nazi's in drie uur tijd 18.000 Russische krijgsgevangenen ombrachten, bestaat uit negen vitrines die opgesteld staan in de vorm van een omgekeerd hakenkruis. Iedere vitrine herbergt een maquette van een landschap waarin zich de meest afschuwelijke taferelen afspelen. Meer dan vijfduizend metalen poppetjes, stuk voor stuk met de hand beschilderd, slachten elkaar op alle denkbare manieren af. Hell omvat rivieren, fabrieken, kerken, bruggen, spoorlijnen, massagraven, concentratiekampen, wachttorens, verbrandingsovens en zelfs een vulkaan die SS-officieren uitspuwt - allemaal uitgevoerd op een schaal van 1:35. Het werk is voor een half miljoen Engelse ponden verkocht aan Charles Saatchi.

Hell is een sculptuur die zijn gelijke in de kunstgeschiedenis niet kent, maar die door zijn extreme detaillering ook wel iets wegheeft van het werk van een doorgeslagen hobbyist. Jake Chapman: ,,De kunstwereld hanteert vreemde maatstaven als het gaat om de uitwerking of de uitdrukkingskracht van een kunstwerk. Het lijkt wel of je aan geloofwaardigheid verliest wanneer je een kunstwerk maakt dat technisch perfect is, omdat het menselijke element dan ontbreekt. Onze strategie is om de beelden zo technologisch geavanceerd als mogelijk te maken, zodat er niets meer van onze persoonlijkheid in te ontdekken valt. Wij streven naar perfectie. Onze mannequins bijvoorbeeld, die we maken door etalagepoppen in stukken te hakken en weer in elkaar te zetten, zien eruit alsof ze industrieel vervaardigd zijn. Alle sporen van persoonlijke expressie zijn weggepoetst. Ons werk gaat over antimenselijkheid. Hell is daar een goed voorbeeld van.''

Hoe apocalyptisch ook, Hell is geen beeld dat handelt over goed en kwaad. Er zijn in dit kunstwerk geen daders of slachtoffers meer aan te wijzen. Nazi's worden in hun eigen kampen uitgeroeid door gemuteerde wezens, maar slachten ook elkaar af. Op het kerkhof kruipen de doden weer onder hun grafstenen vandaan. Hell is een eindeloze geweldsspiraal – een nachtmerrie die maar niet wil ophouden. ,,We hebben het werk bewust zo gemaakt dat het onmogelijk is te zeggen waar het over gaat'', vertelt Jake. ,,Hell verenigt verschillende extremen. Het is niet meer duidelijk wie slachtoffer is en wie beul. Daardoor is het als toeschouwer onmogelijk om partij te kiezen. In feite promoot het kunstwerk niets anders dan misantropie.''

Holocaust

Kan hij zich voorstellen dat mensen geschokt zullen zijn door dit werk? Jake Chapman: ,,Ik heb niet het gevoel dat wij radicaal zijn. Ik denk trouwens dat radicaliteit gestimuleerd wordt door een liberale maatschappij. Hoe vrijer een samenleving is, hoe traumatischer en shockerender haar cultuur zal zijn. Het rare is wel dat binnen de beeldende kunst zaken vaak eerder als provocerend worden opgevat dan bijvoorbeeld in de filmwereld. Waarom mag een documentairemaker of iemand als Steven Spielberg wel swastika's laten zien, terwijl dat een beeldend kunstenaar meteen verdacht maakt? Als mensen beter naar ons werk zouden kijken, zouden ze kunnen zien dat Hell ook een heel grappig kunstwerk is. Het klinkt paradoxaal, maar wij nemen humor heel serieus. Ik denk dat humor een uitstekende manier is om gevoelige zaken, zoals de holocaust, bespreekbaar te maken. Bruce Nauman heeft ooit een neonwerk gemaakt in Berlijn, met de tekst `I'm sorry, we won't do it again'. Ik vind dat zoiets moet kunnen.''

Terwijl Jake in een razend tempo zijn betoog houdt, wordt hij door Dinos aan zijn mouw getrokken. De fotograaf is gearriveerd en wil een portret van beide heren maken. Eenmaal herenigd worden de broertjes onmiddellijk weer opstandig. Ze weigeren om met de vergroeide etalagepoppen op de foto te gaan. ,,Wat moet onze moeder daar wel niet van denken?'' roept Dinos verontwaardigd. ,,Zij heeft er geen idee van dat wij dit soort werk maken. En heb je wel eens aan onze gevoelens gedacht? Wij moeten ook nog in deze wereld kunnen leven. Het laatste wat we willen is vereeuwigd worden als smeerlappen.'' Demonstratief poseren de broers vervolgens naast hun zoete kattenportretten. De fotograaf probeert hen nog te verleiden om naast de professor op de rots plaats te nemen, maar de Chapmans slaan zijn compromis resoluut af. ,,No'', zegt Dinos bars. ,,No way'', valt Jake zijn broer bij. Hij lijkt te schrikken van zijn eigen botheid en zegt dan snel met zijn deftigste Britse accent: ,,Sorry.''

Jake en Dinos Chapman. T/m 5 jan 2003 in het Groninger Museum, Museumeiland 1, Groningen. Di t/m zo 10-17u. Informatie: 050-3666555 of www. groninger-museum.nl.

    • Sandra Smallenburg