Nooit mocht er iets pijn doen

Benny Hill, de komiek van de vette knipoog, was op zijn leukst als hij onverbeterlijk flauw was. Zijn humor was vergoelijkend, innemend en vermijdend, blijkt uit een toegewijde biografie.

De vader van Benny Hill was handelaar in condooms. Alfred Hawthorn Hill uit Southhampton was als jongen met het circus meegegaan, en had na tal van mislukte baantjes (op een gegeven moment probeerde hij tevergeefs aan te monsteren op de Titanic) vastigheid gevonden in het seksuele zakenleven. Voor zijn twee zonen had hij een nog glorieuzer maatschappelijke carrière op het oog. Maar zijn jongste, Little Alf, later Benny, raakte net als zijn vader en zijn grootvader voor hem al op vroege leeftijd verslingerd aan het artiestenleven: in zijn geval het vooroorlogse Britse provinciale variété-theater, met zijn talloze rondreizende komedianten. Om hem te ontmoedigen nam zijn vader hem mee naar de kleedkamer van een bevriende jongleur in Southampton, om hem te laten zien hoe schraal de werkelijkheid achter de coulissen was: de barsten in de spiegel, de vuile wasbak, het groezelige licht. Het hielp niet; op weg naar buiten passeerde de kleine Alf een kleedkamer waarvan de deur open stond. Hij ving een glimp op van een groep halfnaakte danseressen. Vanaf dat moment was hij niet meer te houden.

In Funny, Peculiar beschrijft Mark Lewisohn toegewijd, maar niet dweperig de wonderlijke loopbaan van een nog wonderlijker man. Het vooroorlogse music-hall-milieu van dubbelzinnige sketches en liedjes, van vette knipogen en gemeenzame elleboogstoten vormde voor Benny Hill (1924) een geestelijk thuisland, dat hij eigenlijk nooit meer heeft willen verlaten. Als bühnekomiek in tal van reizende shows was Hill geen groot succes. Van manusje-van-alles werkte hij zich op tot aangever, maar zijn solo-acts leden aan een overmaat aan zelfbewustzijn. Op ieder succesje volgde tegenslag. Zijn charisma reikte in de zaal niet veel verder dan de eerste drie rijen; en later op de radio moest het publiek het zonder zijn mimische gaven stellen. Het wachten was op de televisie.

Hills doorbraak in dat nieuwe medium vond plaats in de eerste helft van de jaren vijftig. Zijn carrière als televisiekomiek duurde tot een paar jaar voor zijn dood in 1992; in de jaren tachtig werd hij onverwacht van Brits fenomeen tot een wereldster; The Benny Hill Show werd uiteindelijk in meer dan honderd landen uitgezonden.

Moppenboekjes

Het overkwam hem allemaal. Biograaf Mark Lewisohn schetst het beeld van een wezenloze man, die het vermijden van contact met de buitenwereld tot een kunst heeft gemaakt. Zijn komische repertoire kwam niet uit hem zelf voort; je kunt zeggen dat hij vluchtte in zijn repertoire, dat hij vrij schaamteloos voor een groot deel van andere komieken jatte. Het meeste haalde hij uit zijn verzameling moppenboekjes, later verzamelde hij ook veel met een blocnote in zijn hand in het buitenland (Hill was een fan van Wim Sonneveld). Het was in de besloten wereld van het variété met zijn vaste stramien van woordspelingen en zijn onveranderlijke grootheden – schoonmoeders, dienstmeisjes, verpleegsters, dominees en melkboeren – dat hij zich werkelijk thuis voelde, en het was die wereld die hij op een wonderlijke manier naar het televisiescherm wist over te plaatsen. Buiten die beschermde wereld loerde de afwijzing, van het publiek, van de vrouwen.

Vrouwen waren een levenslange obsessie voor hem. Maar de vunzige capriolen die zijn naam vanaf de jaren zeventig synoniem maakten met het soort humor dat je vindt op de stoute ansichtkaarten in Engelse badplaatsen, heeft velen op het verkeerde spoor gezet. De ongevaarlijke, zelfs onschuldige uitstraling van die voortdurende seksuele dubbelzinnigheden en de neiging van Hill om zich te omringen met hordes schaars geklede meisjes – de latere Benny Hills Shows eindigden telkens weer met een troep meisjes in lingerie die de komiek achterna renden – waren geen rookgordijn dat een erotisch dubbelleven moest verhullen. Anders dan zoveel mensen dachten, was Benny Hill niet homoseksueel. Hij was werkelijk geobsedeerd door vrouwen, ook door zijn danseressen, alleen wist hij niet wat hij ermee moest doen. Verder dan hij in die naughty sketches liet zien, ging het in werkelijkheid ook niet. Onbereikbaarheid was voor hem een voorwaarde. Vanaf jonge leeftijd werd Hill verliefd op vrouwen die hem niet zagen staan. De vrouwen die hem wilden, negeerde hij. Zijn seksleven bleef zijn leven lang beperkt tot zakelijk afgehandelde orale bevrediging van gewone meisjes die beroepsmatig afhankelijk van hem waren (,,Be nice to Mr Hill'). Maar meestal gebeurde er helemaal niets. Benny Hill was bang voor alles wat te dichtbij kwam. Wat hij beleefde, beleefde hij alleen voor zichzelf. Aan het eind van de jaren zestig, toen hij tijdelijk genoeg had van zijn televisiewerk en onder invloed van het werk van de door hem heftig bewonderde Jacques Tati zelf films wilde maken, schreef hij een script over een man die in een park de liefde van zijn leven ontdekt, die hem na een achtervolging hardhandig afwijst. Dan komt er een andere vrouw voorbij, het gezicht van Hills personage klaart op en hij zet de achtervolging in. Hij wordt opnieuw afgewezen. En nog eens, en nog eens. Het was het verhaal van zijn leven.

Zijn hele leven bleef hij alleen en ongetrouwd. Zijn vakanties bracht hij in zijn eentje door op het Europese vasteland, meestal in Frankrijk, waar hij ook in de hoogtijdagen van zijn succes het liefst verbleef in goedkope pensions, waar hij zijn enige meegebrachte overhemd in de wasbak waste en te drogen hing aan de spiegel, omdat het dan niet gestreken hoefde te worden. Geld interesseerde hem niet, koopjes wel. Lewisohn haalt tal van getuigen aan die anekdotes over zijn idiote spaarzaamheid weten te vertellen en eveneens over zijn volkomen gebrek aan belangstelling voor zijn financiële zaken. Zijn huis lag vol cheques die hij nooit verzilverde.

En zijn talent? Iemand die zo vaak te flauw voor woorden was, die zo vaak dezelfde sleetse grap recyclede en als het even kon de gemakkelijkste weg koos, zal na zijn dood niet gauw tot grote komiek verklaard worden. Maar Lewisohn stelt terecht dat Hill wel degelijk over een fenomenaal komisch talent beschikte. Zijn beste sketches moeten het minder hebben van zijn woordspeligheden dan van zijn mimische talenten. Hill was uiterst bedreven in milde parodieën op menselijke eigenaardigheden, hij beheerste talloze typetjes. Ook verstond hij de moeilijke kunst om melige grappen zo te brengen dat ze weer leuk werden; Hill is vaak op zijn leukst wanneer hij onverbeterlijk flauw is.

Vollemaansgezicht

Zijn humor was als hijzelf: vergoelijkend, innemend, vermijdend, ongevaarlijk. Het liefst speelde hij een ontregelende dwaas die geen idee heeft hoe het in de wereld toegaat en juist daardoor alles naar zijn hand weet te zetten. Na iedere steelse blik onder het rokje van het dienstmeisje, volgde een blik van verstandhouding met het publiek. Archetypisch is zijn vollemaansgezicht met een twinkeling in zijn ogen, omringd door meisjes in ondergoed die gemaakt wulps kijken. Niets mocht schokken, niets mocht pijn doen, niets moest serieus genomen worden.

Des te groter was zijn ontgoocheling toen hij in de jaren tachtig plotseling heel serieus genomen werd – door zijn vijanden. Zijn seksuele obsessies, die in de laatste tien jaar van zijn televisiecarrière steeds breder werden uitgemeten, leken ineens veel minder onschuldig in tijden van emancipatie en feminisme. Het verband tussen een Benny Hill die een groep ontklede vrouwen achterna rende (terwijl het in werkelijkheid altijd andersom was) en een verkrachter, was snel gelegd. De meisjes uit zijn showballetten werden in de linkse, politiek-correcte pers voorgesteld als stereotiepe slachtoffers van mannelijk machismo. Als antwoord piepte Hill dat in zijn sketches de mannen altijd de slachtoffers waren, de dupe van de vrouwen die ze niet konden krijgen, maar het mocht niet baten. Twee jaar voor zijn dood, terwijl hij nog steeds razend populair was over de hele wereld, verloor hij in Engeland zijn eigen show.

Aan zichzelf overgelaten, ging het snel bergafwaarts met Benny Hill. Verdreven uit de veilige haven van zijn komische entourage, restte hem enkel de apathie die hem zijn hele leven had bedreigd. Hij at en dronk te veel, bracht zijn dagen zappend voor de televisie door. In zijn nieuwe appartement bleven de verhuisdozen onuitgepakt. Hij stierf alleen, voor de televisie, en werd pas twee dagen later gevonden, toen zijn buurman iets vreemds begon te ruiken. Na zijn dood bleek niets geregeld.

Mark Lewisohn: Funny, Peculiar. The True Story of Benny Hill.

Sidgwick & Jackson, 515 blz. €29, 70

    • Bas Heijne