Nergens genegenheid

De Amerikaanse president Eisenhower droomde ervan ooit dat onherbergzame Afghanistan te bezoeken. Hij wilde de Khyber Pas zien en vaststellen of de soldaten daar inderdaad zo tough waren. Op 9 december 1959 was het zover: hij vloog over besneeuwde bergtoppen van Karachi naar Kabul. Een voorspoedige vlucht, tot de landing werd ingezet. Ineens verschenen links en rechts straaljagers – zes straaljagers uit de Sovjet-Unie, om Eisenhower in te peperen wie in die contreien de dienst uitmaakte.

Met dit incident begint Arms Against Fury, een halve eeuw geschiedenis van Afghanistan aan de hand van tweehonderd foto's die zeventien Magnum-fotografen de afgelopen decennia maakten. Eisenhower ging tijdens dat bezoek trouwens niet in op de verzoeken van de Afghaanse koning Zahir Shah om financiële hulp en bemiddeling. Zijn hoofd stond er niet naar, hij was er alleen maar om zijn droom te verifiëren. `De verweerde gezichten met baarden en tulbanden', die hem langs de route in Kabul gadesloegen, deden hem denken aan `bijbelse taferelen uit de tijd van Abraham', schreef hij in zijn memoires.

Arms Against Fury staat vol `bijbelse' scènes, met dat verschil dat 25 jaar oorlog op het oog elke Afghaan oorlogszuchtig heeft gemaakt. Het voert te ver om hier de geschiedenis vanaf de val van de monarchie (1973), via het communistisch regime en de opkomst van de theocratische terreur van de Talibaan te reconstrueren. In dit boek komen vooraanstaande fotografen als Raymond Depardon, Abbas en Steve McCurry aan het woord over fases uit de recente Afghaanse geschiedenis die zij zelf aan den lijve hebben meegemaakt en rechttoe rechtaan hebben vastgelegd, in kleur en zwart-wit. Depardon ontmoet er in 1978 krijgslieden met kuiten en voeten in dierenvellen; Abbas fotografeerde recent nog hoe met knuppels op ongewapende mensen wordt ingeramd en hoe complete heuvels bedekt zijn met puntige stenen, grafstenen van vermoorde shi'iten. McCurry reisde doodsbang mee met de mujahedeen die elk schoolgebouw, elke landbouwcoöperatie en elke elektriciteitscentrale met de grond gelijkmaakten, uit verzet tegen communistische moderniseringen. Hij portretteerde diezelfde mannen ook bijna naakt, klaar om met zwemvesten van opgeblazen dierenhuiden een rivier over te steken. Tussen alle verwoestingen door hangen ze in Kabul in de fitness-apparaten, 's nachts stoken ze vuurtjes, beramen ze plannen en bij het ochtendgloren trekken ze weer verder door een woest en leeg landschap. De oorlog als dagtaak en bedrijfstak, waar krijgshaftige jongensdromen eindigden met executies, met afgerukte ledenmaten (er liggen nog acht tot tien miljoen landmijnen) en met verwaarloosde vrouwen en kinderen.

Als leven overleven is, schiet de liefde erbij in. De enige foto waarop een Afghaanse man een vrouw, zijn eigen vrouw, beminnelijk vasthoudt, dateert uit 1969. Daarna zoek je vergeefs naar enig blijk van genegenheid. Vrouwen vluchten als geestesverschijningen met hun kroost naar Pakistan, ze vechten om voedsel, lopen op krukken, bedelen op straat. Je zou willen dat Afghanistan terug kon in de tijd, naar het eind van de jaren zestig, toen er nog een koning was, én een koningin – een stralende koningin, in een koket mantelpakje, die op zo'n zelfde fauteuiltje zit als haar echtgenoot.

Arms Against Fury; Magnum Photographers in Afghanistan. Thames & Hudson, 238 blz. €55,10

    • Marianne Vermeijden