Mee op catwalk dankzij krediet

Startend modeondernemer Ackermann had het bijna opgegeven. Maar na een bankkrediet is de lastige beginfase in Parijs nu voorbij. `We kunnen de groei niet aan.'

Het was de beste oplossing, maar hoe dan ook een risico. Tijdens de onlangs gehouden modeweek in Parijs, waarin de lente- en zomercollecties voor 2003 getoond werden, had de beginnende Nederlands-Franse ontwerper Haider Ackermann zijn show pal ná die van Dries van Noten en even vóór die van Hussein Chalayan in de agenda laten plaatsen. De plaats, aan de Rue Richelieu in het tweede arrondissement van Parijs, was zo centraal, dat journalisten en fotografen `als het een beetje meezat' net de tijd zouden hebben om tussen de shows van de beide erkende grootheden ook de zijne aan te doen. ,,De belangstelling viel uiteindelijk helemaal niet tegen', zegt een zichtbaar vermoeide Ackermann enkele dagen later in zijn showroom in de Parijse wijk Le Marais.

De startende Ackermann (31) boekte in korte tijd het ene succes na het andere. Zijn eerste show bezorgde hem een opdracht van het prestigieuze Italiaanse leermerk Ruffo, een eer die gewoonlijk is weggelegd voor ontwerpers met een hele reeks collecties op hun naam. Enkele dagen voor zijn eigen show in Parijs toonde hij de Ruffo-collectie, in Milaan. Deze krant noemde dat `een van de beste' die daar te zien waren geweest. Ackermanns kleding `raakte het hart'. Tal van tijdschriften besteedden ruim aandacht aan zijn werk. Resultaat: Ackermann en zijn sinds kort aan hem verbonden zakelijk directeur Jan Michiels kunnen de opdrachten niet aan en verkopen op grote schaal `nee'.

Ackermann bracht een groot deel van zijn jeugd in Enschede door. Na zijn middelbare school verhuisde hij naar Antwerpen waar hij zich inschreef aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten, het creatieve broeinest waar wereldberoemde ontwerpers als Van Noten, Raf Simons, Anne Demeulemeester en Walter van Beirendonck opgeleid werden en later zelf les gaven. Hij maakte de opleiding niet af: wegens een ,,verkeerde mentaliteit, gebrek aan discipline, eigenzinnigheid ook', zoals hij aarzelend analyseert.

Met baantjes in discotheken en hand- en spandiensten voor Antwerpse modehuizen scharrelde hij het geld voor zijn eerste collectie bij elkaar. Die was vorig voorjaar in het Parijse Petit Palais te zien. De ruimte was ten behoeve van een aantal jonge ontwerpers gehuurd door de Belgische lycrafabrikant Dupont-Denemours, die ook de belichtings- en productiekosten voor zijn rekening nam. Dat scheelde volgens Michiels zo'n 25.000 euro, een bedrag dat Ackermann zelf nooit had kunnen opbrengen. ,,Het gaat erom in de dynamiek van twee collecties per jaar terecht te komen. Als het goed is, kun je de volgende collectie steeds financieren dankzij opdrachten die je krijgt naar aanleiding van de voorgaande. De start is in die zin de moeilijkste fase.'

Het is dank zij de `mode-infrastructuur' zoals die nu in Antwerpen bestaat, dat Ackermann de start kon maken. Op het moment dat hij wegens geldgebrek dacht te moeten stoppen met de productie van zijn eerste collectie, kreeg hij een kaskrediet van vijftigduizend euro van de Bank Brussel Lambert, onderdeel van de ING-groep. De bank, met name bankier Bob Vanopstal, heeft inmiddels een reputatie op te houden in het `lanceren' en financieren van jong modetalent. Onder meer het internationale succes van Dries van Noten heeft BBL aangemoedigd.

Iedere ontwerper toont zijn collectie na het défilé ten minste een week in een showroom. Het biedt klanten uit de hele wereld de gelegenheid de kleding nog eens te bekijken en te bestellen. De showroom van Ackermann is een verveloze atelierruimte: ,,Van vrienden, gratis uiteraard, anders gaat het niet, en precies mijn sfeer'. Het is er een komen en gaan van `headhunters' van vooral Japanse kledingzaken. Eén bezoeker bestelt voor 30.000 euro aan kleding een van de duurdere stukken, een gazen jurk, kost 2.300 euro.

Ackermann: ,,We hebben bijna zestig van zulke bestellingen. We zullen er maar twintig aannemen, omdat we de groei niet aankunnen. Iedere klant heeft een aparte productiebegeleiding nodig, bij de patroonmakers, de uitvoerende fabrieken, de stoffenfabrikant en meer dan de twee, drie medewerkers die ik nu heb, kan ik me nog niet permitteren. We maken een schifting op grond van het `strategische' belang van een winkel voor ons. Corso Como in Milaan en Colette in Parijs weigeren we uiteraard niet. Ook zijn er geografische overwegingen. Er zijn orders uit de hele wereld, van Amerika tot Australië. Het beste is een zo groot mogelijk gebied te bestrijken.'

    • Pieter Kottman