Les van Machiavelli

Het politieke bedrijf heeft twee gezichten. Het eerste gezicht is dat van de Echte Politiek. Hier gaat het om prachtige redevoeringen en felle debatten over belangrijke kwesties, om het representeren van verschillen van inzicht, om de vormgeving van de politieke gemeenschap. Hier gaat het ook om het plezier in de publieke zaak, om het besef dat men niet primair bezig is zoveel mogelijk geld te verdienen, maar dat men waakt over publieke belangen als de veiligheid van burgers, het leefmilieu en collectief beleden normen als de scheiding tussen kerk en staat of de gelijkwaardigheid van man en vrouw.

Een veelgehoorde, terechte, klacht over de twee paarse kabinetten was dat onder paars de Echte Politiek verdwenen leek. Paars verklaarde een groot aantal maatschappelijke ontwikkelingen (individualisering, mondialisering, immigratiestromen, segregatie, de multiculturele samenleving) tot onbeïnvloedbare feiten, waar een verstandig bestuurder vanuit zou moeten gaan. Paars transformeerde fundamentele politieke verschillen van inzicht tot rationeel oplosbare `beleidsvraagstukken' of tot `win-winsituaties'. Paars creëerde, naar het woord van bestuurskundige Jouke de Vries, een `managementstaat'. Het is onmiskenbaar de verdienste van Fortuyn geweest dat hij erin slaagde de managementstaat te repolitiseren.

Politiek kan echter niet alleen maar Echte Politiek zijn. Besturen is daarnaast ook een vak dat bepaalde vaardigheden vereist. Studenten politicologie en bestuurskunde leren die bestuurlijke vaardigheden nogal eens kennen uit een tweetal klassieke filosofische teksten: de Politeia van Plato en De heerser van Machiavelli. Voor Plato stond vast dat bestuurders deskundigen moeten zijn. In moderne termen zou het voor Plato moeten gaan om mensen met dossierkennis en verstandige ideeën over de sector die zij moeten besturen. Machiavelli schreef in zijn beroemd geworden pamflet over de zwarte kanten van de politiek. In de visie van Machiavelli is naïviteit een politieke doodzonde. Politici moeten niet worstelen met ingewikkelde deugden als betrouwbaarheid, eerlijkheid en naastenliefde; zij moeten zich druk maken om hun imago en hun reputatie.

Vertaald naar Nederland in de eenentwintigste eeuw: zij moeten weten hoe zij de media moeten bespelen, hoe ze zich moeten opstellen tegenover Wouke van Scherrenburg en Barend & Van Dorp en wanneer zij wat moeten laten `lekken' naar wie. Zij moeten strategische bondgenootschappen aangaan, vriendschappen kunnen veinzen, mensen tegen elkaar uitspelen, rivalen uitschakelen, medestanders laten vallen als dat dienstig is, en de juiste dingen weten te zeggen op het juiste moment.

Kijken we met deze kennis over het politieke handwerk in het achterhoofd naar het falen van de LPF, dan is het nog niet eens zo makkelijk aan te geven waar het nu precies aan heeft geschort. De meeste LPF-bewindslieden leken te beschikken over de nodige dossierkennis: Nawijn was afkomstig uit de Immigratie en Naturalisatiedienst, De Boer had de nodige ervaring met verkeer en vervoer en Bomhoff schreef al jaren over de wachtlijsten, de budgettering en de bureaucratie in de zorg. De LPF was klaarblijkelijk niet gecharmeerd van de leiderschapsvisie die in VVD-kringen nog wel eens wordt gehuldigd: affiniteit met of kennis van een beleidsterrein is nergens voor nodig, een beetje manager bestuurt alles wat los en vast zit.

Politieke naïviteit kon de LPF ook niet worden verweten. De ministers Heinsbroek en Nawijn gaven blijk van het nodige talent in het bespelen van de media. De proefballon bleek een prachtig politiek instrument en elke journalist wou wel een interview met een stropdasloze minister die rondreed in een echte Bentley en het allemaal zo aardig wist te brengen. Geheel in de geest van Machiavelli maakten fractieleden van de LPF zich geen zorgen over politiek onhandige deugden als loyaliteit, vriendschap en integriteit. Er werden gedurig strategische kongsi's gesmeed, relaties verbroken, en tegenstanders zwartgemaakt of uit de groep gegooid.

Waar ging het dan toch mis? Ik denk dat de LPF'ers twee lessen van Machiavelli over het hoofd hebben gezien. De eerste heeft betrekking op het kunnen veinzen. De machiavellistische politicus moet weliswaar lekken en liegen en strategische allianties aangaan, maar hij moet dat natuurlijk niet in alle openheid doen. De tweede les gaat over het waarom van al die sluwheid, dat strategisch vernuft en dat gehuichel. Voor Machiavelli zijn dat technieken die de leider inzet, niet om te laten zien dat hij weet hoe het hoort in het politieke bedrijf, niet alleen om zijn eigen positie veilig te stellen, maar eerst en vooral om de maatschappelijke orde te handhaven. Voor de machiavellistische leider is het lot van de heerser verbonden met dat van de staat.

Traditionele politici hebben deze wijsheid soms wel eens te sterk geïnternaliseerd – het land kan niet zonder mij en ik kan niet zonder de politiek – en dan verkeert zij in te grote pluchevastheid. Maar de LPF-politici hebben zich die verbondenheid van hun persoonlijke positie met de publieke zaak te weinig eigen gemaakt. Een beetje machiavellisme omwille van de goede zaak en in het verborgene is vermoedelijk inherent aan het politieke bedrijf. Machiavellistisch gedrag in alle openheid en zonder het publieke belang als beweegreden is niet goed te praten.

    • Margo Trappenburg