Iets zwavelachtigs is vlakbij

De stem van Ter Braak leek verloren gegaan. Maar zijn biograaf Léon Hanssen werd onlangs gewezen op een bijzondere plaatopname. Historische sensatie!

Het brutale feit, zo luidt de klassieke term. Een biograaf moet door het sleutelgat loeren om een levensecht portret van de `held' te maken. Juist de brutale feiten zijn belangrijk. Van Menno ter Braak waren mij vele bekend geworden. Langzaam kon ik zijn verschijning per vierkante decimeter in kaart brengen. Een man van bovengemiddelde lengte (1.87m) met een indrukwekkende, eivormige intellectuelenkop. Iemand die je niet over het hoofd ziet.

Nu kwamen ook brutalere details. Ter Braak was slank, knap en met zo'n markant profiel dat je er met een kunstenaarsoog naar blijft kijken, maar zonder enige erotische uitstraling. Hij had iets van een levend lijk: kil, krijtwit, met rotte tanden en een slechte adem, die hij verborg achter de rook van sigaren en sigaretten, waarvan de geur diep in zijn kleren zat. Zijn gesprekspartner keek hij aan via een omweg, bijvoorbeeld de spiegeling van het raam. Dat hij zich slecht op zijn gemak voelde in gezelschap bewezen ook zijn opgetrokken schouders. Alles duidde erop dat hij ongelukkig in zijn lichaam stak. `Menno', zo verzekerde zijn eerste verloofde mij, `kende zijn tenen niet'. Toch bezat Ter Braak enorme présence. Verscheidene vrouwen, jong en oud, raakten tot over hun oren verliefd op hem. Terwijl ze aan hem konden aflezen dat hij op het vlak van de seksualiteit niets te bieden had.

Mijn nieuwsgierigheid naar Ter Braaks uiterlijk en zijn optreden werd ook ingegeven door het belang dat hij zelf stelde in deze dingen. Zij zeggen immers, schreef hij in een brief, `honderdmaal meer over iemands stumperige menschelijkheid dan zijn geprezen innerlijk'. Daarom schepte hij er veel genoegen in mensen te beoordelen naar de klank van hun stem, naar de manier waarop ze hun jas aan de portier gaven en een glas bier bestelden, en naar hun schoenen en hun hoed. Hij vond dat niet eng en bekrompen, maar uiterst leerzaam. Ter Braak mocht daarom van zijn latere biograaf verwachten dat deze zich voor zulke aspecten van zijn persoon buitengewoon zou interesseren.

Spotziek

Het raadsel is genoemd: de klank van de stem. De wetenschap dat Ter Braak als Achterhoeker van geboorte altijd benauwd was in de grote stad voor provinciaal te worden versleten, wekte nieuwsgierigheid naar die stem. Kon men aan de gevreesde criticus horen dat hij van het platteland kwam en dus eigenlijk `een boer' was? De criticus Hans Gomperts, zelf een ontdekking van Ter Braak, maakt inderdaad gewag van diens `ietwat Gelders-Achterhoekse tongval'. Een andere pupil, Fred Batten, schetst een beeld van Ter Braak als spreker. Hij sprak met een hand op de heup, `de stem met een Gelders accent tamelijk hoog, enigszins spotziek aangezet', en hij had de neiging over de hoofden heen te praten. Twee keer schalde Ter Braaks stem de huiskamers in via de AVRO-radio, een enkele keer was hij de gast van Radio Brussel. Voor de microfoon besprak hij op 23 november 1931 De domineesvrouw van Blankenheim, een roman van de destijds populaire Alie van Wijhe-Smeding. De schrijfster hing aan de luidspreker en registreerde een `spitse harde stem van de haat'. Een ijskoude rilling, beklaagde zij zich later, rende over haar hart: `iets gevaarlijks, iets zwavelachtigs is vlakbij'.

Zo'n stem wil je horen.

Ik deed navraag bij het historisch archief van het Nederlands Omroep Productiebedrijf, maar neen, de AVRO-opnames waren niet bewaard gebleven. Van het Filmarchief te Overveen kreeg ik informatie over enkele stomme filmbeeldjes van Ter Braak uit zijn studententijd. Dat was het. Waar ik ook aanklopte, wie ik ook aanschreef: niente, nix. Op p.70 van mijn Ter Braak-biografie Sterven als een polemist kon ik dan ook na gedegen onderzoek stellen dat de stem van Menno ter Braak `helaas in geen enkel archief bewaard is gebleven'. Aan elke uitspraak van deze aard zou men voorzichtigheidshalve kunnen toevoegen: tot het tegendeel bewezen is, of: voorzover tot op het moment van publicatie kon worden nagaan. Maar iedere lezer zal beamen dat dit een onleesbare biografie oplevert.

Wie schetst mijn verbazing toen ik na verschijnen van Sterven als een polemist een briefje ontving waarin de afzender me op de vingers tikte omdat ik `kennelijk' nooit gehoord had 'over het plaatje dat Ter Braak bij de Bijenkorf had laten opnemen'. Nu kwam de aap uit de mouw: `Gomperts heeft het lang geleden een keer voor een leesclubje afgedraaid. Hij had het geleend, waarschijnlijk van mevrouw Ter Braak'. Mijn gedachten gingen terug naar 6 mei 1993, toen ik met Hans Gomperts een lang onderhoud had in het toneelspelerscafé Cox aan het Leidseplein in Amsterdam. Als emeritus hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde woonde hij al jaren aan de Franse zuidkust — naar verluidt in een modernistische villa, strak en wit, door haarscherp zonlicht beschenen in de heuvels boven St-Tropez. Op mijn schriftelijke verzoeken reageerde hij niet en toen hij dat voorjaar in de Balie een lezing gaf over Montaigne klampte ik hem dan ook aan. Hij bleek bereid tot een afspraak. Ik wist zeker dat ik Gomperts expliciet naar het stemgeluid van Ter Braak gevraagd heb. Hoe opvallend was dat accent? Viel hij daarmee uit de toon in Amsterdam of Den Haag? `Niet storend', mompelde Gomperts met een fijn glimlachje boven zijn tweede kop koffie. Maar geen woord over een Bijenkorf-plaatje. Wel vestigde hij in een ontboezeming mijn aandacht op een `fataal probleem' van Ter Braak: zijn verdrongen homoseksualiteit. Als dit geen brutaal feit was!

De leden van het leesclubje vonden het evenmin nodig me over de opname te verwittigen en Gomperts zelf overleed in 1998. Mevrouw Ter Braak dan? Met haar heb ik tot haar dood verscheidene openhartige gesprekken gevoerd in haar eenzame woning aan de Veluwerand, maar dat plaatje moet om onbekende reden aan haar geheugen zijn ontsnapt. Vandaar mijn verbazing bij het lezen van het briefje. Ongewild was er een tweede associatie. Ik moest denken aan een scène in Thomas Manns Der Zauberberg, waarin de hoofdpersoon Hans Castorp op vastenavond het vulpotlood te leen vraagt van de aanbeden Clawdia Chauchat. Castorp gaf dit voorwerp aan de eigenaresse terug, maar ik vermoedde dat het plaatje met Ter Braaks stem zich nog steeds tussen de spullen van de inmiddels overleden Gomperts bevond. Dat bleek te kloppen. In het Letterkundig Museum, waar de nalatenschap was gedeponeerd, kon het object na enig zoeken te voorschijn worden gehaald. Het waren zowaar twee plaatjes!

Wasplaatje

De opnames waren inderdaad in De Bijenkorf gemaakt, in Den Haag. Dit warenhuis bood de mogelijkheid een `Gesproken brief' op een 78-toeren grammofoonplaatje te laten vastleggen. Het medium was destijds vooral in zwang om vrienden en familie overzee met een persoonlijke klankboodschap te verrassen. Het betrof kant-en-klare opnamen: het geluidssignaal werd rechtstreeks overgebracht op een wasplaatje, dat hierna van een koperlaag werd voorzien. Elk plaatje was dus een unicum. `Gebruikt uitsluitend ingesloten houten naalden', stond er als waarschuwing op het hoesje. Dit maakte het niet gemakkelijk het ding af te spelen. Een studio op het mediapark te Hilversum, vlakbij de plek waar Pim Fortuyn was vermoord, had de voorzieningen om de stem van Ter Braak te reproduceren.

Historische sensatie! Door het geruis en getik heen sprak iemand me toe op een dwingende toon, een stuk lager dan verwacht en met een accent dat, indien al aanwezig, nauwelijks definieerbaar was. Een geoefend spreker, zonder twijfel; voor dit doel met een wat gemaakte stem. In elk geval innemend en allesbehalve autoritair. Bij de tweede keer luisteren hechtte het vocale geluid zich reeds helemaal aan het beeld dat ik van Ter Braak had. Dit was hem dus — de polemist met het sidderend hart! De aandacht richtte zich vervolgens op de tekst zelf, die speciaal voor de tijdsduur van een minuut moest zijn ontworpen. Deze politieke sketch, satirisch en absurdistisch van karakter, bleek een ware vondst:

`Kameraden! Nu wij vlak voor de verkiezingen staan, dienen wij goed te beseffen dat de leider der Nationaal-Journalistische Clercs, kameraad Guichelaar, de enige man is die ons uit het moeras der demo-liberale politiek kan redden. Guichelaar of Gibraltar. Er is geen keuze mogelijk. Guichelaar vincerà! De verrotting is nu zo ver voortgeschreden, dat alleen de ergste tegenverrotting nog genezing kan brengen. Daarom: geen aarzeling, geen bloedondermijnde twijfel! Maar, zonder Guichelaar, Huichelaar en Goochelaar, heeft dit land geen toekomst. Wij maken uw toekomst.

Wij zijn ook aan huis te ontbieden.

Wij zijn bereid uw privaat te ledigen en uw kater uit te laten. Maar, stemt Guichelaar, stemt Guichelaar uit een oud bloedeigen ras-geslacht. Tot ziens!'

Na enig puzzelen was ik er praktisch uit. De alternatieve verkiezingstoespraak moest vlak voor de Tweede-Kamerverkiezingen van 26 mei 1937 zijn opgenomen. De hamvraag was op dat moment: wat doet Mussert? De leuze `Guichelaar of Gibraltar' verwijst rechtstreeks naar een NSB-parool: `Mussert of Moskou'. De NSB'ers en trouwens ook de socialisten spraken elkaar aan met `kameraden'. En het Italiaanse woord `vincerà' (zal overwinnen) herinnert aan de kretologie van Mussolini. Maar Ter Braak schoof op subtiele wijze nog een andere partij in zijn literaire sketch: de Nederlandsche Journalisten-Kring, waar hij als leider van de zogenaamde Nationaal-Journalistische Clercs de draak mee steekt. De term `clercs' ten slotte was bekend van Julien Benda's La Trahison des Clercs uit 1927. Benda hekelde de intellectuelen die hun hoge cultuuridealen ingeruild hadden voor nationalisme en de politieke waan van de dag. Zo wist de goochelaar Ter Braak me toch weer te verbluffen. Dit keer met een betoog vol intertekstuele verwijzingen, vol politieke scherpte maar vooral vol humor en spot. Een tekst die anno 2002 misschien zo actueel is als 65 jaar geleden.

De technicus waarschuwde dat het broze grammofoonplaatje nog maar enkele keren fatsoenlijk geluid zou produceren: dan waren de groeven definitief versleten. Dat ogenblik kwam weer het beeld bij me op van Hans Gomperts, die op gezette tijden Ter Braaks stem uit de kast toverde om deze voor select gezelschap af te spelen – tot er alleen maar geruis van over was. Ik besefte dat een kleine ramp was voorkomen: leve de digitale Ter Braak.