Hoe minder lijf, hoe meer psyche

De tentoonstelling `Kopstukken' is een afspiegeling van de portretkunst tussen 1600 en 1800 . Zo werden na de dood van Cornelis Troost intensiteit en intimiteit schaars .

Het gezelschap hield zich geruime tijd op voor een van de grotere portretten. Het stelde een man voor, die, gehuld in een behaaglijke rode kamerjas, voor een tafel zat met daarop een lessenaar. De man schreef met een ganzenveer iets in een kasboek en keek even op van zijn werk. Hij heette Daniel Bernard, koopman te Amsterdam en was geschilderd door een van de meest gevraagde portrettisten van het midden van de zeventiende eeuw, Bartholomeus van der Helst.

,,Een vrolijke Frans', stelde een van de vrouwen uit het gezelschap vast. ,,A twinkle in his eyes. Hij heeft zeker net opgeteld hoeveel hij heeft verdiend.'

,,Ik vind het een nare papzak', verklaarde een meisje dat er nogal stuurs bijstond. ,,Een volgevreten kapitalist. Rijkgeworden door de slavenhandel. Die heeft bloed aan zijn handen, dat zie je zo.'

,,Welnee, Bernard handelde gewoon in graan en hout', probeerde de historicus het politiek-correcte binnenbrandje te blussen. ,,En in krenten en wijn en in peper. Zeer gefortuneerd, dat wel. Woonde op de Keizersgracht.'

,,Gunst, wat doet dat er nu toe', sprak de estheet. ,,Kijk toch eens naar de plooien van die Japanse rok. En het fluweel van die baret. En die patronen van dat tafelkleed. Meesterlijk.'

,,Dat slaat allemaal nergens op', stelde een nuchtere jongeman vast. ,,Die man heeft zich verpakt in een belachelijke sjamberloek alsof het winter is, terwijl je duidelijk kan zien dat het raam openstaat. En zo'n baret, dat was al ouderwets in die tijd. En het is helemaal de vraag of iemand zo'n duur Turks tapijt op zijn schrijfbureau had liggen.'

Nog voor dat de psycholoog zijn visie over de geestesgesteldheid van Daniel Bernard kon ontvouwen, de huidarts zijn mond open deed en de binnenhuisarchitect iets te berde bracht, greep de gids in. ,,Ja, zo kan ie wel weer', sprak hij geërgerd en hij maakte een eind aan de beschouwingen. Het gezelschap trok verder: er waren nog zo'n zestig schilderijen te gaan en wie op deze manier alle portretten wilde bespreken was al al gauw een paar dagen in de weer.

Kopstukken heet de tentoonstelling in het Amsterdams Historisch Museum. En dagelijks kan men er de duidingen der bezoekers beluisteren. Meer dan bij landschappen, stillevens, of zeegezichten wekken portretten een onbedaarlijke interpreteer- en projectielust op. Al deze schilderijen zijn op verschillende niveaus te beoordelen: men kan zijn persoonlijke indruk geven, er valt van alles te vertellen over de levens van de voorgestelden, over de ontwikkeling van het portret, over de carrières van de schilders en men kan er zuiver stilistisch of technisch naar kijken. Er hangen ongeveer 130 schilderijen, maar omdat daar ook groepsportretten bijzitten, komen we toch al gauw op een 500 personen die allemaal aandacht en commentaar verdienen.

Kopstukken is een mooie klassiek ingerichte tentoonstelling, zonder eductieve fratsen. Het Amsterdams Historisch Museum, in vele opzichten de erfgenaam van de stedelijke elite, bezit ruim vijfhonderd portretten die van voor 1800 dateren. Voor deze tentoonstelling is daar ruimschoots uit geput. De ondertitel luidt `Amsterdammers geportretteerd'. Dat is juist. Er staat niet de Amsterdammers geportretteerd. We zien hier geen doorsnee Amsterdammer. Het was maar een klein percentage van de bevolking dat zich liet portretteren. De gewone Amsterdammer, de winkelier, de kruier, de sleper, die liet zich niet schilderen. Hooguit komen we hem tegen op de achtergrond van een stadsgezicht.

Exotische kledij

Wat we hier zien is ook geen echte afspiegeling van de Amsterdamse portretkunst. Er is in de loop der eeuwen onnoemelijk veel verloren gegaan en bovendien waren er ook portretschilders van het tweede, derde of mindere garnituur en die zijn hier niet vertegenwoordigd. Dan is er nog de problematische term `portret'. Veel portretten kunnen op ons nog wel levensecht overkomen, maar de schilders flatteerden per definitie en soms werd iemand geschilderd die al lang dood was en van wie destijds al geen of een niet betrouwbaar portret bestond. Daar komt nog bij dat men zich vaak liet afbeelden op een `portrait historié', dus in quasi-antieke, pseudo-bijbelse of exotische kledij, kortom uitgedost op een manier die in het dagelijks leven nooit voorkwam.

De traditie van het portretschilderen gaat verder terug dan de periode rond 1600, waar de tentoonstelling begint. Al in de eerste helft van de zestiende eeuw zijn Amsterdammers geportretteerd – als schenkers op altaarluiken en op votiefstukken, maar ook op een typisch Noord-Nederlands genre: op schuttersstukken. De reden dat Kopstukken begint bij 1600 is dat de voorgaande periode al eens behandeld is op een tentoonstelling en omdat rond deze eeuwwisseling juist die reusachtige economische bloei van de stad had ingezet. Gefortuneerde burgers, trots op hun vaak nog maar recent verworven kapitaal, status en vrouw lieten zich portretteren. Ze hadden daar niet alleen geld voor, maar ook ruimte. De stad werd uitgebreid en er verrezen riante koopmanshuizen. Al die huizen moesten worden ingericht en aan de wanden kon men zich niets beters denken dan schilderijen. De vraag lokte tientallen schilders naar de stad. De beste schilders beheersten vele genres; het portret was er daar maar een van, maar wel een waar veel geld mee te verdienen viel. In hun onderlinge concurrentie specialiseerden de portrettisten zich in subgenres. Omstreeks 1618 bijvoorbeeld introduceerde de uit Antwerpen afkomstige schilder Cornelis van de Voort bijvoorbeeld het levensgrote portret ten voeten uit. Op een werkelijk vorstelijke schaal wist hij iemand als de koopman Arnoldus van der Hem en diens vrouw neer te zetten, compleet met stabiliteit symboliserende zuil, een tafel met een bepluimde helm en een indrukwekkend familiewapen.

Wie dat wilde, kon zich in de meest elegante en luxueuze kostuums laten vereeuwigen waar de schilder eer kon leggen in de manchetten, kragen, de rozetten en juwelen en in de nuances van het satijn. De aristocratische allure die Amsterdamse patriciërs zich begonnen aan te meten had nog een andere consequentie: evenals de adel wilde men zich beroemen op een lang en nobel voorgeslacht. Men kon zich wel heer van Waddinxveen of Oud-Carspel noemen of zelfs door de keizer of door de Venetiaanse doges in de adelstand worden verheven, het mooiste was toch een rijke stamboom en de daarbij passende Ahengalerie. Helaas kwam het genealogisch spoor vaak ietwat teleurstellend uit bij een beurtschipper of een koopman in haring. De schilder was dan gedwongen iets te verzinnen en fantaseerde iets met quasi middeleeuwse kleding. Verscheidene families hebben zo aanzienlijke reeksen voorouders in huis gehad. In de loop de tijd zijn die uitelkaar gevallen, onder de kinderen verdeeld, of naar veiling of kunsthandel gegaan. Op Kopstukken is zo'n reeks te zien van de familie Backer, die in het bezit is van het museum zelf. Op de tentoonstelling Regenten herrezen in Museum Willet Holthuysen is zo'n verzameling tentoongesteld van de familie Van de Poll.

De portrettraditie kwam tot grote bloei in de zeventiende eeuw. De beste schilders trokken naar de stad en kunstenaars als Rembrandt, Bartholomeus van der Helst, Govert Flinck, Ferdinand Bol, om maar enkele van de grootsten te noemen, konden hier ruimschoots hun brood verdienen. Ieder kon zich een schilder naar zijn smaak kiezen en hem opdracht verlenen: voor een individueel portret, een portret in een interieur met beroepsattributen erbij, een portret ten halve lijve, of staande, een huwelijksportret of een portret met het hele gezin erop. De variatie, zo laat de tentoonstelling goed zien, was groot, zowel in compositie als in stijl en formaat. Koos men in het begin van de zeventiende eeuw voor een wat formele houding dan trad men in overleg met iemand als Nicolaes Pickenoy of met de Delftenaar Michiel van Mierevelt. Wilde men iets heel dynamisch dan kon men nog uitwijken naar Frans Hals in Haarlem. Verkoos men in een iets latere periode de weelderig pose en het brede gebaar dan overlegde men met Van der Helst. Hield men van een intens psychologisch portret waar het niet zozeer om de attributen of het interieur ging dan moest men maar eens met Rembrandt of Govert Flinck gaan praten.

Gat in de markt

In de achttiende eeuw trad een verschraling in. Er zijn nog enkele meesters actief zoals Cornelis Troost en George van der Mijn. Maar na hun dood worden intensiteit en intimiteit schaars. Of dat nu te verklaren is uit een andere emotionele omgang tussen de mensen, of uit een afnemend vakmanschap of uit beide is moeilijk uit te maken. De portretten en de familieportretten krijgen iets wezenloos, de voorgestelden staan vaak wat verder van het beeldvlak af en nemen zo afstand tot de beschouwer. Charmant kunnen die schilderijen zeker zijn. Bij het conversation-piece, een gezelschap in een gedetailleerd weergegeven interieur of in een tuin, is het altijd interessant om naar het meubilair en het theeservies, naar de beelden en plantenkassen op de achtergrond te kijken. Maar de voorgestelden hebben, zoals bij portretten van Tibout Regters of Jan Mijtens, geen relatie tot elkaar en staan wat verloren in de ruimte. Uitkomst boden enkele buitenlandse schilders die hier een gat in de markt zagen. Van hen is Jean-Etienne Liotard de grootste. Werkend in pastel – evenals de miniatuur een geliefd geworden techniek – was hij de goedbetaalde grootmeester van het subtiele psychologische portret.

Spreken over tradities, over kostuums, over identificaties is gemakkelijk vergeleken met het verwoorden van de menselijke kwaliteit in een portret. Het is allemaal verf, het is allemaal huid wat men ziet, haar en oog. Maar waarom blijf je voor het ene portret veel langer staan, of word je erdoor geroerd, eigenlijk wachtend tot de geportretteerde gaat spreken? Het heeft in ieder geval niet te maken met gelijkenis. We kunnen immers na al die eeuwen niet meer controleren of het portret geleek. Er moet een immanente kwaliteit aanwezig zijn, die je, al is het maar een seconde, de illusie geeft tegenover een levend mens te staan. Het is dan zelfs bijna onmogelijk de voorstelling niet als levensecht te zien, maar als een tweedimensionale constructie van verf. In een van de inleidende opstellen in de catalogus wijdt de kunsthistoricus Jan Bedaux, voortbouwend op oudere teksten van Ernst Gombrich en Ernst van de Wetering, hier enkele passages aan. Hij wijst op het verschil tussen geslaagde, maar `bevroren' portretten aan de ene kant en de portretten `die leven' aan de andere kant. Maar hoe kan een schilder gebonden aan twee dimensies en aan een in de tijd gefixeerde afbeelding `beweging' of `levendigheid' suggereren?

Vettige huid

In een historiestuk ging het erom juist dat moment uit een verhaal te kiezen waarop de beschouwer zowel een stukje voorgeschiedenis kan zien, als de gevolgen van de afgebeelde actie. Men moest het cruciale omslagmoment weergeven. Ook in portretten kan zoiets het geval zijn. Frans Hals portretteerde wel eens iemand die zich net in zijn stoel had omgedraaid. De bovengenoemde Daniel Bernard is gevangen in het moment dat hij blij verrast even opkijkt van zijn boekhouding. Er zijn ook portretten waar dat allemaal veel subtieler ligt, en waar de actie is gereduceerd tot nauwelijks aanwijsbare mimiek. Bedaux haalt een tekst van Ernst van de Wetering aan, waarin die laat zien hoe Rembrandt in een vrouwenportret minuscule glimlichtjes in een oog aanbracht en `verdwaalde glanslichtjes op de vettige huid van de oogwal en de onderlip'. Bij alle `receptmatigheid in het gebruik van illusionistische middelen' krijgen bij hem juist de vluchtigheid, de bijna toevalligheid van dergelijke effecten een nadruk.

Hoe minder lichaam, hoe minder atribuut, hoe minder achtergrond, hoe meer de schilder gedwongen was de psyche achter het gelaat te suggereren. Rembrandt, hier vertegenwoordigd met drie schilderijen, kon dat, maar ook iemand als Liotard. De schilder moest dus niet alleen een scherp oog hebben voor hetoppervlak van het gelaat en weten hoe en met welke middelen hij dat moest weergeven, maar ook een feilloze kijk op een typerend trekje, op de fijne motoriek van dat gelaat. Juist die terloops gesuggereerde veranderingen in het gezicht kunnen die sterke ervaring van aanwezigheid oproepen. Een mondhoek die minimaal wordt opgetrokken, de lippen, die zich even lijken te gaan openen, die ene wenkbrauw die een fractie omhoog is gegaan, dat alles suggereert leven. Iemand van driehonderd jaar geleden is dan zeer nabij. Dan verstommen de gesprekken over kleding en beroep, over symboliek en penseelstreek. Er zijn daar geen woorden voor.

Kopstukken. Amsterdammers geportretteerd. Amsterdams Historisch Museum t/m 26 januari 2003. De catalogus onder redactie van N.E. Middelkoop, 304 blz. is uitgeven door TOTH, €29,90.

Regenten herleven. Een kijkje in de kunstcollectie van de Amsterdamse familie van de Poll. Museum Willet Holthuysen, Amsterdam. T/m 5 januari 2003.

Gerectificeerd

Onder zijn portret bij het artikel over de tentoonstelling `Kopstukken'in het Amsterdams Historisch Museum (CS 18/10) is voormalig burgemeester van Amsterdam Cornelis de Graeff per abuis aangeduid als Cornelis de Graaff.