Het vijf-dagenkabinet

Nóg sneller dan het kabinet-Balkenende viel in 1939 het vijfde kabinet-Colijn.

De 87 dagen van het kabinet-Balkenende vormen wel een record, maar dan alleen met de toevoeging `naoorlogs'. Het absolute, en naar het zich laat aanzien niet snel te verbeteren record in onze parlementaire geschiedenis staat op naam het vijfde kabinet-Colijn, dat in de zomer van 1939 vijf dagen lang zich zelf als hoeder van het landsbelang mocht zien.

Op zaterdag 22 juli 1939 had de Regeerings Pers Dienst (de voorloper van de RVD) laten weten: ,,Dr. Colijn heeft de hem verstrekte opdracht tot vorming van een kabinet aanvaard'' (met andere woorden: de formatie was geslaagd), op maandagmorgen zat Colijn nog even een half uurtje de laatste vergadering van zijn op 29 juli demissionair geworden vierde kabinet voor, 's middags kwam de nieuwe ploeg bijeen voor het constituerend beraad en schreef Colijn de Kamervoorzitter dat hij de volgende dag ,,een voor discussie vatbare'' regeringsverklaring wilde afleggen in de Tweede Kamer. Dinsdagmorgen elf uur werden de tien ministers op paleis Noordeinde beëdigd en om één uur hoorden de Kamerleden gedurende een half uur de regeringsverklaring. Voortvarender kon het niet.

De volgende dag kwam de Kamer aan het woord en werden de verhoudingen al gauw duidelijk. Colijns ploeg (vier vertrouwde anti-revolutionaire en christelijk-historische gezichten, aangevuld met zes liberalen en partijlozen, voornamelijk afkomstig uit het bedrijfsleven en het bestuur in Nederlands-Indië) vond geen genade. Zelfs Colijns eigen anti-revolutionaire partijgenoten toonden zich opvallend koel, al bleef fractievoorzitter Schouten ingetogen, want het duidelijk afvallen van de bij de achterban immens populaire Colijn zou politieke zelfmoord hebben betekend. Ook de verwante christelijk-historischen hielden zich op de vlakte. ,,Geen oppositie-quand-même, geen defensie-quand-même'', zei fractievoorzitter De Geer, die graag vreemde talen sprak. Alleen de vier man sterke liberale fractie was echt tevreden, maar dat was geen wonder. ,,Er zitten meer liberalen in het kabinet dan in de Kamer'', spotte Van Houten, de vertegenwoordiger van de kleine (en gematigd linkse) Christen-Democratische Unie.

De scherpste tegenstand kwam echter van de grootste partij in de Kamer, de Rooms-Katholieke Staatspartij, die samen met de al even kritische Sociaal-Democratische Arbeiderspartij een meerderheid in de Kamer vormde. Daar kwam ook nog het verzet bij van de vrijzinnig-democraten, die het heel beslist en bewust bij de formatie hadden laten afweten en uiteraard waren ook de communisten tegen. De steun van de vier man sterke NSB-fractie en de twee staatkundig-gereformeerden mocht tegenover deze overmacht niet baten.

Eén nachtje slapen en toen kwam Deckers namens de rooms-katholieke fractie donderdagmiddag om half vijf met een motie, waarin werd geconstateerd dat ,,de kabinetsformatie niet heeft geleid tot het optreden van een kabinet dat de nodige waarborgen biedt voor een deugdelijke behartiging van 's lands belang in gemeen overleg met de Staten-Generaal''. De motie van afkeuring werd na een kort debat om kwart voor zes met 55 tegen 27 stemmen aangenomen. Dat was in feite het einde van Colijns politieke loopbaan.

Hoe is het zover gekomen? Een paar opmerkingen. Het was steeds duidelijker geworden dat de rooms-katholieke Kamerfractie (die in de jaren dertig aanzienlijk verjongd was) een andere aanpak van de economisch-financiële politiek en het vraagstuk van de werkloosheid wilde. Bovendien raakten de roomsen steeds meer uitgekeken op Colijn, die in 1937 zijn partij een mooie zetelwinst had bezorgd en op het hoogtepunt van zijn roem stond een toestand die in het algemeen niet goed is voor het karakter van een mens.

Colijn zelf wist ook wel dat het om hem zelf ging. Op 17 juli 1939 schreef hij een Amerikaanse relatie: ,,We are having a political crisis of which I am, alas, the centre.'' Hij handelde er alleen niet naar. Kennelijk was hij ook uitgekeken op de Nederlandse politieke cultuur, want op vrijdag 14 juli 1939 formuleerde hij een Program voor een kabinet, dat geen politiek karakter draagt en hij liet dat werkje in een besloten, streng geselecteerde kring circuleren. Bovendien voelde hij zich in hoge mate geschraagd terecht of ten onrechte door koningin Wilhelmina. In een onderhoud in zijn huis met de a.r.-fractievoorzitter Schouten zei Colijn op 12 juli, toen de kabinetscrisis zich voortsleepte en de katholieke formateur Koolen het had laten afweten, dat hij nu een formatieopdracht verwachtte. Schouten zag er niet veel in, maar Colijn met zijn militaire verleden liet weten: ,,Maar als de koningin mij een opdracht geeft. Ik ben nu eenmaal soldaat.'' Schouten heeft toen, naar eigen getuigenis, het enig juiste antwoord gegeven: ,,Maar u komt morgen bij de koningin als politicus, niet als soldaat.''

Bij het debat, later in Tweede Kamer, gaf de communist De Visser intuïtief te kennen dat de koningin druk op Colijn had uitgeoefend een suggestie waarop hij door de voorzitter werd afgehamerd, maar waarvan De Visser zich weinig aantrok. Als volksvertegenwoordiger had hij er recht op te weten hoe de gang van zaken was. Dat Colijn zelf ook wat vreemd tegen zijn ploeg aankeek, wordt duidelijk uit een brief die hij naar de gouverneur-generaal in Batavia, Tjarda van Starkenborgh Stachouwer had gestuurd. ,,Gij zult het nieuwe kabinet wel enigszins vreemd vinden en dat is het ook'' door de aanwezigheid van vijf oud-Indischgasten (hemzelf inbegrepen).

Het vijfde kabinet-Colijn is in demissionaire toestand tot 10 augustus 1939 in functie gebleven. Toen werd het opgevolgd door het tweede kabinet-De Geer.

    • Jan Kuijk