Het meesterwerk ben ik

Sommige literatuurkenners zien het liefst hun eigen gezicht op de canon. Nu heeft de beroemde Marcel Reich-Ranicki de Duitse letteren naar eigen inzicht gerangschikt in winnaars en verliezers. Maar zijn helden- verering is niet verrassend, eerder vanzelfsprekend.

Keizerlijke tijden zijn het tegenwoordig in de Duitse letteren. Een bul is er uitgevaardigd en hij heet Der Kanon.

Marcel Reich-Ranicki zette de twintig door hem meest gewaardeerde Duitse romans op een lijst en bezorgde een heruitgave van die boeken in een uniforme editie. Hij deed de boeken – omvang: 8.000 bladzijden – in een doos met draagband en plakte er ter stimulering van de verkoop zijn eigen portret op. Canonisering van korte verhalen, drama, poëzie en essayistiek zal de komende maanden op precies dezelfde wijze plaatsvinden.

Als invloedrijk criticus kent Reich-Ranicki in Duitsland zijns gelijke niet. En dat is wonderlijk, want er lopen betere boekbesprekers rond. Minder verzot op macht zijn die, betrouwbaarder in hun berichtgeving en diepgravender in hun denken. Iris Radisch, scribente in Die Zeit, is er zo een. Ze is bedachtzamer, in het geheel niet uit op effectbejag, en plaatst zichzelf niet zo parmantig voor een roman als Reich-Ranicki dat doet. Bij haar zul je nooit de retorische trucs tegenkomen waarvan Reich-Ranicki zich zonder een spoor van gêne bedient. Een andere top-critica is Sigrid Löffler. Haar gaat het, net als Radisch, om de boeken en om niets anders dan de boeken. Als beloning voor al haar ernst, vlijt en talent zit Reich-Ranicki haar dwars waar hij maar kan. Een tijd lang mocht ze in zijn tv-show meedoen, maar toen hij haar tegenwerpingen zat was, werd ze het bos in gestuurd. Het verschil van mening betrof het literaire thema seks, en daarin meende Reich-Ranicki eindeloos veel beter te zijn ingevoerd dan Frau Löffler. Ja, hij heeft nu eenmaal een uitgesproken voorkeur voor psycho-analytisch angehauchte schrijvers als Arthur Schnitzler en Thomas Mann. Dat zijn zíjn schrijvers, de helden bij wie hij altijd weer graag even langs gaat. Aldus gesterkt door moderne klassiekers bestiert mucho-macho Reich-Ranicki ganz allein het reilen en zeilen van de hedendaagse Duitse literatuur. Aan inspraak doet hij niet, want literatuur is geen democratie.

Reich-Ranicki begon zijn mars naar de macht in het jaar 1958. Woelige republikeinse tijden waren het toen, met jonge schrijvers, bijeenkomend op de tumultueuze congressen van de Gruppe 47. Daar bespraken ze, in een walm van drank en tabak, de manuscripten van elkaars boeken. En boven het gemurmel der romanciers en dichters uit weerklonk opeens de heldere en gebiedende stem van een Duits sprekende Pool. Men kende hem nog niet, maar men zou hem léren kennen, en dat had hij zelf altijd al geweten.

Zijn jeugd had hij, joodse zoon van Duits-Poolse ouders, in het vooroorlogse Berlijn doorgebracht. Daar was zijn passie voor de boegbeelden van de moderne literatuur ontstaan, voor de gebroeders Mann, voor Kafka, Tucholsky, Döblin en Joseph Roth. Veel van zijn lievelingsauteurs waren van joodse afkomst en met hun boeken over eenlingen en buitenstaanders boden ze troost toen hij, de jonge Reich-Ranicki, door een steeds virulenter antisemitisme in het maatschappelijk isolement werd gedreven.

De bewondering wekte bij hem nooit het verlangen om zelf serieus verhalen of romans te gaan schrijven. Wanneer Marcel voor zijn scheerspiegel trad herkende hij namelijk de latere criticus. Het grote leespubliek had een gids nodig en hij zou dat zijn. Iemand diende de weg naar de goede boeken te wijzen. Iemand diende te waarschuwen voor slechte boeken van slechte schrijvers. Ja, getuchtigd moest er worden opdat die slechte schrijvers betere schrijvers werden. Dankzij hem. Veel moet men voor een dergelijke missie lezen, maar nooit mag men zijn tijd verspillen.

Met al dat gewijs en gewaarschuw heeft de nu 82-jarige scheidsrechter in literaire zaken al zeker vier decennia lang voor veel vermaak gezorgd, dat vaak wordt verward met inzicht. Eindeloos vaak kruidt hij zijn essays met citaten van klassiekers. Dat maakt indruk, alleen is het citaat vaak het beste deel van het betoog, en dat is dan toch weer een beetje armoedig. Maar wat zou het. Of hij nu kraakt of prijst, altijd stort Reich-Ranicki zich met ziel en zaligheid in de strijd. Die passie is het fundament van zijn kracht, is de grondslag van zijn machtige positie.

Enkele maanden geleden leek Reich-Ranicki's regime te wankelen. Met twee vrijwel gelijktijdig verschenen romans waagden Martin Walser en Bodo Kirchhoff een poging tot (verbale) tirannenmoord. Kirchhoff verklaarde Reich-Ranicki tot symbool voor `alles wat er niet deugt in de Duitse literatuur' en liet een op hem gelijkend type smadelijk aan zijn einde komen in Schundroman. Martin Walser, sinds de val van de Muur jaarlijks goed voor een bovenmodaal schandaal, construeerde in de satirische roman Tod eines Kritikers een nep-moord op een Reich-Ranicki-kloon.

De Chef kreeg inzage in het manuscript en was not amused. Vervolgens maakte hij een kapitale fout: hij probeerde publicatie van de roman te voorkomen. Met zijn egocentrische geklaag ging Reich-Ranicki alleen maar meer lijken op Walsers karikatuur. Tod eines Kritikers werd gewoon uitgegeven. Het bood een onthutst publiek zicht op een keizer zonder kleren.

Nu de boekenherfst is aangebroken manifesteert Marcel Reich-Ranicki zich wederom in de plooirijke gewaden die bij zijn positie horen, en de duim gaat als vanouds ferm omlaag wanneer een schrijver hem verveelt. Is er dan niets veranderd?

Toch wel. Criticus is hij gebleven, maar uitgever-bezorger is hij daarnaast ook geworden, en omdat hij alleen het beste van het beste (her-)uitgeeft gaat de duim hoog omhóóg. De twintig romans die hij Der Kanon noemt moet iedereen gelezen hebben die in zijn ogen voor een Kulturmensch wil doorgaan. Helemaal in z'n eentje heeft hij de keuze gemaakt. Wat zeer te betreuren valt. De keuze was beslist minder eenzijdig uitgepakt dan nu is gebeurd.

Deze canon is een kreng, een dwingeland van het zuiverste water. Al was het maar doordat twintig romans in het zonnetje worden gezet en honderden andere, even mooie, naar het duister van de nacht zijn verwezen. Twee keer Goethe, twee keer Fontane en twee keer Thomas Mann: dat beperkt de keuzeruimte aanzienlijk. Had Reich er maar een longlist bij gedaan. Daar had hij zoveel Goethes, Fontanes en Thomas Manns op kunnen zetten als hij maar wilde, maar dan hadden wij tenminste ook kunnen nagaan welke titels de canon net niet haalden. Deze canon is eerst en vooral een affront tegen prachtige boeken die het zonder een pluim van Reich-Ranicki moeten zien te redden. Die buiten de canon om – of ondanks de canon – moeten bestaan. Zoals de romans van Reich-Ranicki's tegenspeler Martin Walser.

Op het punt van de motivatie toont de kersverse uitgever zich van zijn meest achteloze kant. Bijgeleverd bij de twintig romans wordt een flodderig boekje met een twaalf bladzijden tellende inleiding tot het project, aangevuld met een serie Kurzbiographien en boeksignalementen van miniformaat. Een foldertje, kortom. Tot tweemaal toe lanceert hij zijn quasi-vertrouwelijke ganz unter uns, en beide keren volgen belangeloze ontboezemingen. `Waarvoor hebben we literatuur nodig? Even geheel onder ons: daarover heb ik nooit serieus nagedacht – misschien wel omdat ik nooit een leven zonder literatuur heb gekend. Het spijt me, maar hier kan ik niet dienen met betrouwbare informatie.' Op een andere plaats heet het lapidair en dreunend: `Wie onze canon-bibliotheek dubieus vindt, mag er van uitgaan dat ik aan zijn kant sta. Ik meen het serieus. Alleen ben ik er zeker van dat het afzien van een canon in een geciviliseerde maatschappij desastreus en onvoorstelbaar is. Het zou een terugval in de willekeur en onverschilligheid zijn, in chaos en radeloosheid, een terugval in de barbarij.'

Zulke grote woorden vergen meer uitleg. Het moest blijkbaar allemaal zó kort dat je zelf maar naar verklaringen moet zoeken. Zijn aanpak straalt intellectuele luiheid uit. Dat terwijl de canon-koper is ingeschaald als een potentiële Zauberberg-lezer (Buddenbrooks en Der Zauberberg zitten beide in de doos). Hij zou dus best aanspreekbaar kunnen zijn voor een college van degelijke afmetingen, met inspirerende beschouwingen en aandacht voor details, voor stijl en voor thematiek. Daar begint Reich-Ranicki echter niet aan. Hij houdt het op een paar sweeping statements, ervan uitgaand dat de boeken maar voor zichzelf moeten spreken. Dat is precies wat ze deden voordat ze werden gecanoniseerd. Met andere woorden: deze canon biedt geen toegevoegde waarde. Het was zinvol geweest als Reich-Ranicki ten minste nog de moeite had genomen de belangrijkste commentaren van anderen op de nu gecanoniseerde boeken te verzamelen en in de vorm van een begeleidend boek aan zijn canon toe te voegen.

Met een bescheidenheid die ongeloofwaardig aandoet, betoogt Reich-Ranicki dat zijn canon de leek slechts moet helpen de weg te vinden in het uitgestrekte woud der Duitse letteren. Zelf laat hij zich altijd graag helpen wanneer hij door uitheemse literatuur rondstruint, schrijft hij. Betekent dit dat Reich-Ranicki Duitsers als buitenlanders in eigen land beschouwt? Zoiets. Hij schrijft: `Is het overdreven om te zeggen dat Duitsland bij uitstek het land is van de steeds weer terugkerende breuk met de tradities, het land waar de breuk met de traditie de eigenlijke traditie is?'

Ja, altijd weer moesten er schrijvers worden herontdekt omdat ze niet meer in de mode waren. Wat dat betreft is de bijscholingscursus die deze canon wil zijn nogal statusbevestigend. Vrijwel alle gecanoniseerde titels hebben allang de status van klassieker, worden ook nog regelmatig herdrukt en maken deel uit van het reguliere literatuuronderwijs op school. Dat is niet erg, canonisering en originaliteit gaan nu eenmaal lastig samen, maar Reich-Ranicki heeft bij het zoeken naar verrassende maar te rechtvaardigen keuzes, net als bij het verantwoorden van de bekende, dus niet erg zijn best gedaan. Dat valt hem aan te rekenen omdat hem ruime middelen ter beschikking stonden: de zeven grootste uitgeverijen van Duitsland werkten aan het project mee.

De roman-canon bevat boeken die verschenen tussen 1774 en 1984. Deel één is Goethes briefroman Die Leiden des jungen Werthers en deel twintig Thomas Bernhards Holzfällen. De nadruk ligt op de twintigste eeuw en maar één boek van een mevrouw werd uitverkoren. Van Anna Seghers is dat Das siebte Kreuz uit 1942. Uit Reich-Ranicki's inleiding valt, behalve dat het spannend is, niet te achterhalen wat er nu zo canonesk aan is.

Er zijn in de twintigste eeuw heel veel erg goede boeken van schrijfsters bijgekomen, maar werk van Elfriede Jelinek, Herta Müller, Monika Maron of Emine Özdamar schijnt absoluut niet canon-rijp te zijn. Erger nog: van Christa Wolf en Ingeborg Bachmann krijgt men alleen via de mini-biografieën der herenschrijvers te horen dat ze in een bepaald jaar `vriendin' of `reisgenote' waren.

Het is triest en het heeft methode. Sinds jaar en dag is het Reich-Ranicki's adagium dat vrouwen leuk zijn voor mannen om over te schrijven. Daarom staan ook Frau Jenny Treibel (1892) en Effi Briest (1895) van Theodor Fontane op de lijst, en niet Michael Unger (1903) of de krimi Der Fall Deruga (1917) van Ricarda Huch. La Huch was een grande dame, o zeker, maar ze bestond toch kennelijk vooral om de achttiende-eeuwse romantische mannen te herontdekken die rond 1900 zo grondig waren vergeten.

Om Reich-Ranicki's voorkeuren beter te kunnen begrijpen is een blik op zijn zojuist verschenen essaybundel Sieben Wegbereiter nuttig. In dit boek zijn portretten bijeengebracht van vernieuwende schrijvers die, met uitzondering van Arthur Schnitzler en Bertolt Brecht, ook in de roman-canon staan. Wat al deze `wegbereiders' verbindt is dat ze een leven lang Reich-Ranicki's wegbegeleiders zijn geweest, de schrijvers van boeken die hij altijd weer ter hand nam. Toen hij Döblin, Kafka en Tucholsky voor het eerst las, leidden hun boeken onder de nazi's een illegaal bestaan. IJverig stroopte Reich-Ranicki de groezeligste antiquariaten af, altijd op zoek naar de laatste exemplaren van verboden boeken die hij, alleen al omdat de nazi's er zo van walgden, wilde lezen.

Wat begon als een daad van verzet is in de loop van zijn leven getransformeerd tot een vanzelfsprekende verering van een betrekkelijk kleine groep van schrijvers die allen in dezelfde tijd leefden, in het Duitsland en Oostenrijk van voor de Tweede Wereldoorlog. Allen waren ze vernieuwers, waarnemers van de geheimen van het privaat en beschrijvers van intimiteiten die in preutsere tijden slechts tersluiks konden worden aangeduid. Ze hanteerden de methode der psychologie en schreven over seks. Het belang van deze schrijvers staat niet ter discussie, maar wel is het storend om ze altijd weer als de grote ijkpunten terug te zien komen waartegen latere auteurs het onvermijdelijk afleggen.

Door zijn bewondering voor de gelijken van Thomas Mann en Franz Kafka lijkt Reich-Ranicki blind voor de tomeloze oerkracht van holocaust-beschrijver Edgar Hilsenrath (Jossel Wassermanns Heimkehr, 1993), of voor de meeslepend beeldende taal van een Ulla Hahn, van wie hij alleen af en toe een gedichtje wil consumeren. Haar roman Das verborgene Wort (2001), deed hij eens af als oninteressant geklets. Die reactie was voorspelbaar, want het boek beschrijft de worstelingen van een meisje met het leven, met het leven dat haar niet de vrijheid gunt om een eigen taal, een eigen kijk op de wereld te ontwikkelen. Als Goethe, Gottfried Keller, Alfred Döblin of Günter Grass een ontwikkelingsroman schrijven, wrijft Reich-Ranicki vergenoegd in de handen. Die welwillendheid ontbreekt geheel bij zijn beoordeling van hedendaagse literatuur. Helemaal als die geschreven is door vrouwen.

Dat veel van zijn favorieten zulke enorme problemen met vrouwen hadden zal hem ook wel gesterkt hebben in zijn vrouw-onvriendelijke houding. Kijk eens hoe hij Franz Kafka portretteert. Vooral uit dagboeken en brieven put hij om zijn these te ondersteunen dat Kafka de wereld alleen maar als een bedreiging kon beschrijven omdat hij haar zo ook ervoer. Dat was met name het geval wannneer hij het weer met vrouwen aan de stok kreeg. Eigenlijk wilden ze altijd veel te veel. Terwijl hij hen in feite alleen nodig had vanwege hun postadres; dan kon hij tenminste ergens zijn bakken met brieven heen sturen. Om antwoord verzocht hij alleen beleefdheidshalve: zo'n Milena, zijn belangrijkste pennevriendin, kon het eens in haar hoofd halen om over haar eigen leven te gaan uitweiden. Gruwelijke gedachte.

Net zo min als andere ziekelijk-zelfzuchtigen (in deze bundel vallen vooral Thomas Mann en Kurt Tucholsky op) wordt Kafka door Reich-Ranicki's begripvolle schildering van die rotmentaliteit geen slechtere schrijver, maar ook geen betere. `Het schrift is onveranderlijk, en de meningen zijn vaak slechts een uitdrukking van vertwijfeling daarover', citeert Reich-Ranicki uit Kafka's Proces. Hij citeert met instemming. Aan interpretatie wil hij zich maar niet wagen.

Zo is het in alle essays. Ze zijn informatief en vlot geschreven, men weet weer wat meer over de privé-besognes van beroemde schrijvers, maar nieuwe inzichten in hun werk blijven achterwege.

Een uitzondering moet worden gemaakt voor het essay over Robert Musil, de schrijver van het vuistdikke Der Mann ohne Eigenschaften, een boek dat vrijwel niemand uitgelezen heeft, maar waarvan iedereen meent te weten dat het een meesterwerk is. Scherp argumenterend en met goed gekozen citaten uit de roman en over de roman (`een gigantische steengroeve', volgens Golo Mann) bepleit Reich-Ranicki een nieuwe, sterk ingekorte, editie. Musil was volgens Reich een `grafomaan', een ziekelijke veelschrijver, die het kaf niet van het koren kon scheiden en daarom alles in zijn roman stopte wat hij interessant vond. Hij schrok niet terug voor krantenartikelen en passages uit boeken van andere schrijvers; alles werd zonder bronvermelding gewoon geïncorporeerd. Zo ontstond een eindeloos uitdijend boek met een zwalkende rode draad. De man zonder eigenschappen documenteert de ineenstorting van een ongewone kunstenaar, van een ooit groot verteller die niet tegen zijn talent was opgewassen', besluit Reich-Ranicki. Het schrijven van dit stuk vergde zeker intellectuele moed, want de Musil-lobby bestrijdt elke vorm van kritiek op het idool met grote felheid.

Trots verklapt Reich-Ranicki dan ook dat hij voor het stuk bij Musil-specialisten te rade is gegaan. `Vriendschappelijke waarschuwingen' gaven ze hem. Ja, ook een keizer-criticus loopt zo zijn risico's.

Der Kanon. Zwanzig Romane und ihre Autoren. Insel, €149,90

Marcel Reich-Ranicki: Sieben Wegbereiter. Schriftsteller des zwanzigsten Jahrhunderts. Deutsche Verlags-Anstalt, €19,90

    • Anneriek de Jong