Het leven moet worden bedacht

Soms wordt een boek door zijn titel bij voorbaat gediskwalificeerd: die roept intuïtief weerstand op waardoor je snel het volgende boek ter hand neemt. Liefde is voor vrouwen is zo'n titel. Clichématig, een tikje neerbuigend, zowel naar de liefde als naar de vrouwen, en een typische uitspraak van het soort geborneerde mannen-met-een-glas op dat, bij het doornemen van het leven laat op de avond, met dubbele tong verkondigt dat de vrouw voor hem een raadsel is.

Het romandebuut van Vrij Nederland-columnist Stephan Sanders (1961) had een andere titel verdiend. Zijn boek is juist wars van clichés en verre van geborneerd. Liefde is voor vrouwen lijkt op het eerste oog een chaotische en onoverzichtelijke tekst. Het in vier hoofdstukken ingedeelde boek kent meerdere ik-personen, een verteller en een hoofdpersoon die eerst over zichzelf spreekt in de derde persoon, en die later weer een rol speelt in het verhaal van een ander personage. Bij nadere beschouwing blijkt dit een vertelvorm die naadloos aansluit bij wat Sanders moet hebben bewogen: het boek is een `identiteitsonderzoek' – in de betekenis die Amin Maalouf aan het woord geeft in zijn essay Moorddadige identiteiten –, een mozaïek waarbij de verteller vanuit zijn geheugen en, in het geval van Sanders, ook vanuit zijn verbeelding alle vlakjes van zijn identiteit probeert in te vullen. Er moet een Verhaal worden bedacht, er moet een Leven worden vormgegeven.

Dat is het leven van de verteller die als kind werd geadopteerd. `Moeder A., die de A van Adoptie en Aangenomen heeft waargemaakt, de moeder die er was' is een vrouw van joodse afkomst die zelf geen kinderen kon krijgen. Van zijn biologische moeder (B-moeder) weet de verteller alleen dat ze Nederlands is, rooms-katholiek en dat ze in Engeland woonde. Over zijn vader vermeldt een dossier in de archieven van de Federatieve Instelling voor Ongehuwde Moeders: `afkomstig uit het Caraïbische gebied (donker)'. Die paar trefwoorden moeten worden opgetuigd tot `een aannemelijke geschiedenis'. De feiten spreken immers niet voor zich.

En dus lezen we, in het eerste deel, over de Jamaïcaan Samuel en zijn ontmoeting met de Nederlandse au pair Josje, 's avonds in een Londens danscafé waar voornamelijk zwarten komen. Samuel worstelt met zijn huidskleur (`vrouwtje, blank zoet vrouwtje. Maar zij is blank en hij natuurlijk niet') en assimileert zijn taalgebruik om zo Engels mogelijk over te komen (`ze hebben de swing uit zijn taal gehaald'). Samuel koestert een obsessieve adoratie voor een charismatische zwarte collega, in wie hij zich verliest – een vaderfiguur zoals er in Sanders boek, bij gebrek aan vaders die blijven, meer worden gezocht.

In het tweede deel lucht de verteller zijn hart, op de divan. Ja, hij is exhibitionist, hij heeft publiek nodig `om te voorkomen dat [hij] plotseling in het luchtledige verdwijnt.' Ja, hij wilde `bruin' zijn, gepantserd en geharnast in het leven staan. Ja, hij voelde zich `een pedaalemmer zonder bodem', niet thuis bij Surinamers, niet bij Nederlanders, niet bij vrouwen, niet bij mannen. Zijn B-moeder kwam hem na veertig jaar mededelen dat zij een gezin had in Nieuw Zeeland, en een `business' met een kiwi-boomgaard waarvoor zij net nieuw personeel had aangenomen. (`Die wel, dacht ik, die kun je wel aannemen'). Naderhand stuurde ze hem nog een kaartje, waarin ze meldde dat zijn vader misschien toch geen Jamaïcaan was, maar Zuid-Afrikaan.

In dat soort passages is de pijn voelbaar rauw en het cynisme fel. De ethnische en de seksuele verwarring leidt tot existentiële wanhoop. Dan verdwijnt de milde ironie, de kwinkslag die de toon in de rest van het boek bepaalt. Steeds blijft de auteur dicht op de huid van de verteller. Van reflectieve afstand is geen sprake. De balans wordt opgemaakt en uiteindelijk volgt de afrekening – krachtig en precies. Maar wie had kunnen vermoeden dat achter die halfzachte titel zo'n sterk verhaal zou schuilen?

Stephan Sanders: Liefde is voor vrouwen. Vassallucci, 126 blz. €15,95