Eeuwig sleutelen

In een serie over vertaalde klassieken deze week `De achtste dag van de week' van Marek Hlasko. (uit het Pools vertaald door Karol Lesman. Contact, 111 blz. euro 9,90)

De James Dean van de Poolse literatuur wordt hij op de achterflap genoemd. Een Poolse angry young man is een andere karakterisering. De Poolse schrijver Marek Hlasko (1934-1969) is in ieder geval jong gestorven en zeer angry is zijn door Karol Lesman prachtig vertaalde novelle De achtste dag van de week beslist ook.

In 1956 kwam een eind aan de stalinistische terreur in de meeste landen van Oost-Europa en trad een periode in van `dooi'. Ook in Polen, dat bijna van de ene op de andere dag een van de minst onvrije landen in het Oostblok werd. De achtste dag van de week is een van de bekendste en meest typerende werken uit deze periode.

Hoofdthema van De achtste dag van de week is de woningnood en de totale ontwrichting van het leven die daarvan de oorzaak is. De hoofdpersoon van het verhaal, de studente Agnieszka, woont met haar bedlegerige moeder en haar vader in één kamer. In de keuken slapen haar broer en nog een bewoner. Ook de vriend van Agnieszka, Piotr, woont niet alleen, hij deelt een kamer met vier medestudenten. De twee gelieven zouden zo graag eens enkele uren achtereen met elkaar alleen willen zijn om ongestoord de liefde te bedrijven. Maar er blijkt geen zegen op hun samenzijn te rusten. Als Piotr een kamer bij een kennis regelt, vergeet deze de afspraak en is hij net zelf met een vrouw bezig wanneer het paar zich meldt. Wanneer zij dan in arren moede besluiten om zondag zo ver mogelijk het bos in te gaan, regent het pijpenstelen. De zeven dagen van de week brengen alleen maar narigheid, eigenlijk zou er nog een achtste dag moeten zijn waarin alles weer goed komt.

Piotrs weinig doortastende optreden en zijn voortdurende `gezeur' over zijn jaren in de gevangenis als politieke gevangene werken Agnieszka zo op haar zenuwen dat zij zich op een avond laat pakken (een ander woord is er niet voor) door een toevallige kroegkennis. Uit woede, frustratie, teleurstelling.

De kroeg speelt een belangrijke rol in het boek, want het is de plek waar Agnieszka haar broer Grzegorz elke avond vandaan moet halen. Het levert beklemmende beschrijvingen op van een groot aantal Warschause drankgelegenheden. Grzegorz is de tweede hoofdpersoon van het boek. Hij is aan de drank en wacht in die kroegen op een vrouw op wie hij verliefd is en die natuurlijk niet komt. Hij is van alle gedesillusioneerde personages die dit boek bevolken degene met de zwartste levensvisie. Piotr wil nog wel eens iets zeggen als: `Eer. Waardigheid. Ondanks alles zijn dat dingen die nog niet zo onbenullig zijn als je wel zou denken.' Voor dergelijk soft gedoe moet je niet bij Grzegorz wezen, die grossiert in krachtige uitspraken als: `De kracht van waterstofbommen. Dat is vandaag de dag het enige dat de mens nog kan vervullen met optimisme.' Of: `Vandaag ga je niet voor je plezier met een vrouw naar bed, maar om er met vrienden over te kunnen praten.'

De desillusie van Grzegorz wordt, behalve door het uitblijven van zijn geliefde, veroorzaakt door het feit dat hij jarenlang een fanatiek stalinist is geweest. Bij hem lijkt nu, in 1956, alle grond onder de voeten weggeslagen. Hij is politiek de tegenpool van Piotr. Jaren heeft hij gewaakt over de politieke zuiverheid van anderen, en mensen die hierin tekortschoten aangegeven, en nu blijkt dat verkeerd te zijn geweest.

De woningnood staat symbool voor de uitzichtloosheid van het leven in de Poolse Volksrepubliek. Alleen in de drank en de kroeg kun je voor even ontsnappen. Warschau lag in die tijd nog voor een groot deel in puin, de ruïnelandschappen worden door Hlasko prachtig beschreven. Heeft Piotr na zijn vrijlating uit de gevangenis nog het geloof dat het leven ooit beter zal worden, bij Grzegorz, bij de ouders van Agniezska en ten slotte bij Agnieszka zelf ontbreekt elke verwachting op een betere toekomst. Voor haar ouders is hun – mislukte – leven voorbij, Grzegorz' gouden tijden zijn roemloos door de geschiedenis weggevaagd en Agnieszka heeft te veel gezond verstand om in zoiets als een betere toekomst te geloven.

Alleen Zawadzki, de man die inwoont in de keuken, is ongecompliceerd genoeg om optimistisch te blijven. De oude motorfiets waaraan hij eeuwig sleutelt maar die er telkens na enige honderden meters knallend en rokend mee uitscheidt, is de running gag van het boek. Is het te ver gezocht om in dit aftandse vehikel een symbool van Polen te zien?

Een boek schrijven dat de tijdgeest volmaakt weergeeft, dat een generatie zo herkenbaar neerzet dat het huiveringwekkend is, maar dat toch zo weinig tijd- en plaatsgebonden is dat het jaren later in een totaal andere wereld nog kan boeien, dat is de droom van menig schrijver. Marek Hlasko is dat gelukt, in krap honderd bladzijden waarin geen woord te veel staat. Een meesterwerk.

    • Arthur Langeveld