Een waarachtig mens sterft voor de zaak

Zowel Palestijnse `menselijke bommen' als de daders van 11 september dreven met vele anderen ook zichzelf de dood in. Hun drijfveren zijn religieus maar ook modern: het individu bewijst zich in de zelfvernietiging tegenover een tegenstander.

Al vóór de kamikazes van Al-Qaeda op 11 september hun toestellen te pletter vlogen, had het westen de verbijsterende opkomst gezien van Palestijnse jongens en soms meisjes, die zich opbliezen bij Israëlische discotheken en cafés. Wat drijft hen? Zijn ze vergelijkbaar?

Niet alleen over die martelaren, maar over de islam in het algemeen wordt in Nederland veel verhitte onzin beweerd, waarin de behoefte aan opwinding het wint van de analyse, die op zichzelf verontrustend genoeg kan zijn. Het is daarom een verademing om het scherpzinnige werk te lezen van Franse politicologen en sociologen als Olivier Roy, Giles Kepel en Farhad Khosrokhavar, die zich hebben verdiept in de troebelen van de huidige islam, zowel in het Midden-Oosten als in Europa.

De Iran-specialist Khosrokhavar, die eerder L'islam des jeunes publiceerde over de geloofsbeleving van jonge Franse moslims, geeft in zijn nieuwe Les nouveaux martyrs d'Allah een indrukwekkende analyse van de motieven en het wereldbeeld van islamitische zelfmoordactivisten, dat naadloos aansluit bij het werk van Roy, met wie hij ook sporadisch heeft samengewerkt.

Wat maken hun studies duidelijk? Allereerst dat het idee dat de islam geen modernisering zou hebben ondergaan, of daar essentieel onverenigbaar mee zou zijn, een misverstand is. Het nieuwe fundamentalisme, dat terug te vinden is bij veel martelaren, is juist een product van de moderniteit, en heeft een `neo-islam' opgeleverd die voor middeleeuwse moslims onherkenbaar zou zijn. Het is een afgeslankte, compacte versie van het geloof die is toegesneden op individuele, subjectieve ervaring, en die is ontdaan van het technische en `objectieve' leergezag van de geestelijkheid, en afgesneden van allerlei culturele en nationale bindingen. Door globalisering, verstedelijking, crisis in het Midden-Oosten en massale migratie naar het westen, is in de jaren negentig een `transnationale' islam ontstaan die vooral de tweede generatie aanspreekt, de ontheemde jeugd in de buitenwijken, geschoolde jongeren en studenten die in een identiteitscrisis belanden door hun afscheid van het land van herkomst en de kennismaking met het westen.

Martelaren

De islam, onderstreept Khosrokhavar, biedt hun de mogelijkheid van een nieuwe identiteit en een hervonden eigenwaarde als born again muslim. Beide culturen kunnen daarbij afgezworen worden: de oude, die heeft afgedaan als autoritair, mislukt en ouderwets, en de nieuwe, die wordt gezien als goddeloos, verdorven en imperialistisch. Westers gedachtegoed, zoals anti-imperialisme en tiersmondisme, keren hier terug. Tegelijkertijd worden het moderne westerse individualisme, het idioom van zelfontplooiing en dat van normen en waarden geïslamiseerd, door meisjes die vrijwillig een hoofddoek gaan dragen, en bij mannen in een obsessie met seksuele zuiverheid en goed gedrag. Onder de radicaalsten leeft de droom van een ware, internationale umma, een gemeenschap van oprechte gelovigen, die Khosrokhavar vergelijkt met de westerse fantasie van een global village.

Fundamentalisten doen bij dat proces van zelfvernieuwing graag een beroep op klassieke moslimtheologen zoals Ibn Taymiyya, die opriep tot terugkeer naar de begintijd van de islam. Maar dat betekent niet dat deze geïndividualiseerde religiositeit, waarin de eigen relatie tot God belangrijker is dan het gezag van de ulama, typisch is voor de islam. Ook het evangelische christendom, dat een stormachtig succes kent in Amerika, maakt zo'n persoonlijke reconstructie mogelijk, met een sterke nadruk op moraal en subjectief geloof. Kenmerkender voor de islam zijn eerder de angst voor sociale chaos: de islam heeft zich vanaf het begin gezien als een wereldse religie met een beschavingsmissie, die een einde moet maken aan barbaarse tijden en het recht van de sterkste. En er is het begrip jihad, in het persoonlijke leven of in oorlog, dat door radicale moslims is geherïnterpreteerd als de individuele plicht van iedere moslim om te vechten tegen de vijanden van het geloof.

Met zulke `neo-islam' kunnen moslims op zichzelf nog vele kanten op. Maar de versimpeling van de geloofsinhoud tot ethische regels sluit bij uitstek aan bij het fundamentalisme. En met de combinatie van individuele geloofsbeleving, afkeer van het westen en oproep tot jihad, zijn ook de explosieve elementen geleverd voor een radicale minderheid, de opkomst van westers geschoolde, herboren strijders van radicale islamitische terreurgroepen.

Khosrokhavar onderscheidt in Les nouveaux martyrs d'Allah, waarvoor hij onder anderen sprak met gedetineerde moslims in Frankrijk, diverse groepen moslims die bereid zijn te sterven als martelaar. In de klassieke islam was een martelaar een held die sneuvelt in de strijd voor het geloof, een ander religieus type dan de `passieve' martelaar van het christendom, maar zonder de dood bewust te zoeken. In de sji'itische islam, die het onderspit dolf in de strijd om de opvolging van de Profeet, is het heroïsch-tragische besef van martelaarschap het sterkst. Maar de moderne martelaren, of het nu Iraniërs, Palestijnen of Al-Qaeda-terroristen zijn, gaat het niet zozeer om opoffering in de hoop dat het Laatste Oordeel nabij is, maar om een radicale en persoonlijke afwijzing van een wereld die hén afwijst: de Israëlische of de westerse. Het beeld van een nabije Eindtijd of de wederkomst van de imam speelt geen rol meer: in die zin is de terreur geseculariseerd. Zichzelf opblazen is een existentiële daad, die zelfmoord uit persoonlijke frustratie combineert met opoffering voor de goede zaak. De dood is in deze nieuwe `martelaarspathologie' geen toeval meer, maar wordt doelbewust opgezocht.

Trots

Toch zijn er onderling grote verschillen. Khosrokhavar onderscheidt martelaren die zich opofferen voor een nationale zaak, zoals de Iraanse (die een staat verdedigen) en de Palestijnse (die een staat bevechten), van de onthechte, transnationale zelfmoordenaars van Al-Qaeda, die zich niet voor een concrete nationale zaak inzetten, maar voor een gedroomde wereldwijde umma. Olivier Roy wijst op een verwant verschil: terwijl de eersten gevierd worden door het volk en de patriottische trots zijn van hun familie (althans, zolang de camera's draaien), zijn de tweeden opvallend vaak in het westen geschoolde en herboren moslims, wier suïcidale daad voor hun familie als een totale, ongeloofwaardige schok komt. Zie de vader van Mohammed Atta, die nog steeds ontkent dat zijn zoon bij 11 september betrokken was en liever complottheorieën over de aanslagen gelooft.

In Iran beleefde het martelaarsideaal zijn hoogtij in de oorlog met Irak, maar het desintegreerde daarna snel, vooral na de dood van Khomeiny. De jeugd houdt zich er tegenwoordig liever bezig met de vraag naar een islamitische `civil society', emancipatie en een matiging van het religieuze puritanisme. Onder de Palestijnen leidde de tweede intifada, na het vastlopen van de Oslo-akkoorden, tot de acties van menselijke bommen. Met dit wapen kon wraak worden genomen op de onaantastbare Israëliers, aldus Khosrokhavar, en kon worden getoond dat de Palestijnen althans in hun doodsverachting superieur waren.

Het tweede type martelaar, dat van Al-Qaeda, is geen product van een nationale zaak, maar juist van de ontworteling en identiteitscrises die gepaard gaan met globalisering, modernisering en migratie. In hun pathologische haat tegen het `arrogante' westen, en de moderne `zedeloze' stad, ziet Khosrokhavar parallellen met andere destructieve religieuze sekten, zoals die van David Koresh die ten onder ging in de vuurzee van Waco. Hun nieuwe religiositeit, islamitisch of anderszins, is het brandpunt van een getroebleerde verhouding tot het westen, dat grote aantrekkingskracht uitoefent maar hen tegelijkertijd afkeurt en uitsluit. Ook patriarchaal machismo speelt een rol: de dood als martelaar is een hernieuwde kans om mannelijke superioriteit te bevestigen, een motief dat vooral bij Mohammed Atta en de zijnen prominent aanwezig is.

Ook al zijn er banden, Khosrokhavar houdt vol dat deze twee types martelaar – de klassieke die strijdt voor een nationale zaak en de moderne die droomt van een mondiale umma – onderscheiden moeten worden. Er is, meent hij, geen enkele reden waarom ook de islam, zoals het katholicisme een halve eeuw geleden, zich niet zou kunnen voegen in de moderniteit. Maar die moderniteit zal ook altijd een voedingsbodem blijven voor fanatici en gefrusteerden die, met of zonder islam, hun uitsluiting vertalen in haat en bereidheid tot zelfvernietiging. De moderniteit produceert haar eigen vooruitgang, maar ook, en dan niet in termen van `schuld', haar eigen tegenstand.

Farhad Khosrokhavar:Les nouveaux martyrs d'Allah.

Flammarion, 366 blz. €28,35

    • Sjoerd de Jong