De zee fluistert als een vriend

De aanbeveling op de kaft van Life of Pi klinkt niet echt hip: deze roman zal je in God doen geloven. In het voorwoord van Life of Pi schrijft Yann Martel over zijn zoektocht naar een `bezield' verhaal. Martel gaat daarvoor op reis, naar India, en ontmoet een oude man die hem een verhaal aanbiedt `dat hem in God zal doen geloven'. De man stuurt de schrijver naar een plek waar vroeger een dierentuin was. Daar woont Pi, voluit Piscine Molitor Matel, de zoon van de vroegere dierentuineigenaar. Hij is door zijn ouders vernoemd naar het mooiste zwembad in Parijs. Met de naam `Piscine' werd hij als kind op school gepest, omdat het als `Pissing' wordt uitgesproken. Daarom veranderde hij zijn naam in `Pi', en voegde daar aan toe p = 3,14.

Een verhaal dat je in God doet geloven – dat moet wel over een wonder gaan. Als Pi zestien is, emigreert hij samen met zijn familie en enkele dieren uit de dierentuin naar Canada. Het Japanse schip Tsimtsum zinkt op 2 juli 1977 en Pi belandt op een reddingsboot met de Bengalese tijger Richard Parker, een zebra, een hyena en de orang-oetan Orange Juice. Hij leert schildpadden doden, vliegende vissen vangen en waagt zich op een hongerige dag zelfs aan de uitwerpselen van de tijger. Na 227 dagen spoelt hij aan op de kust van Mexico.

Het overlevingsverhaal van Pi heeft alle ingrediënten van een allegorisch verhaal: de ark, de dieren, de miraculeuze overleving, de redding. Maar een dergelijke lezing druist in tegen de levensfilosofie van Pi. Het gaat niet om de moraal, maar om het betere verhaal. De jonge Pi wil hindoe, moslim én christen zijn, niet omdat hij niet kan kiezen en ook niet vanwege de boodschap die het geloof oplegt, maar om de verbeeldingsrijke, bizarre verhalen die erbij horen. Hij bewondert de heilige olifanten in het hindoeïsme, de moslims die zich dubbelklappen in een ongemakkelijke yogahouding om te bidden en hij verbaast zich over het christendom, een religie met haast. `Kijk bijvoorbeeld naar de wereld, die in zeven dagen geschapen wordt.'

Twijfel aan God vindt Pi geen vruchtbare levenshouding: `Twijfel als levensfilosofie is hetzelfde als kiezen voor immobiliteit als transportmiddel.' Al in het begin van zijn roman vertelt Martel een anekdote over een stervende atheïst. Zijn laatste woorden zijn: `Wit, wit! L-L-Liefde! Mijn God!' Natuurlijk, de atheïst had ook, zo vlak voor zijn dood, iets kunnen mompelen: `Waarschijnlijk een f-f-falen van zuurstoftoevoer naar mijn h-h-hersenen.' Maar daarmee had hij, aldus Pi, `het betere verhaal' gemist.

Naast religie, is zoölogie de andere grote inspiratiebron die Pi iets over het leven leert. Dankzij de kennis die hij in de dierentuin heeft opgedaan, slaagt hij erin de tijger te temmen. Door de lichte toon, de subtiele humor en de prachtige stijl van Martel ervaren we de levensfilosofie van de jonge Pi als een bijzondere, literaire en verrijkende kijk op de wereld. Pi noteert met de prachtigste precisie de verschillende geluiden van de tijger, de soorten lucht die hij ziet, alle geuren en kleuren van de zeeën die hij waarneemt. `De zee brulde als een tijger. De zee fluisterde in je oor als een vriend die je geheimen vertelt. De zee klinkt als kleingeld in je jaszak'.

Wat Life of Pi bovenal uittilt boven een Robinson Crusoë-achtige reli-vertelling over een jongetje dat schipbreuk leidt, is het meesterlijke slot. Pi werpt een vraag op: waarom is het verhaal dat we zojuist hebben gelezen verteld, waarom verzinnen we eigenlijk verhalen, heeft de verteller een verantwoordelijkheid, hoe verhoudt de waarheid zich tot fictie? Net als bij McEwan krijgt de lezer een emotionele dreun die ervoor zorgt dat de hele roman op losse schroeven komt te staan. De lezer kan zich vervolgens gefrustreerd afwenden of zich verzoenen met fictie.

Martel, geboren in Spanje in 1963 en een kind van diplomaten, publiceerde eerder Self. Deze roman kreeg, zoals de schrijver opmerkt in zijn voorwoord, maar weinig aandacht en de kritiek leek zich er niet goed raad mee te weten. Grote stapels van zijn boeken bleven achter in de boekhandel, alsof zijn boek een `onatletisch kind was dat niemand in zijn team wilde hebben'. Net als Self, is ook Life of Pi een eenling, tegendraads, origineel, ambitieus en schitterend.

Nee, deze roman leidt er niet toe dat we – als we dat niet deden – plotsklaps in God gaan geloven. Life of Pi doet iets mooiers: het laat ons geloven in de verbeeldingskracht van de literatuur, in de noodzaak van het betere verhaal.

Yann Martel: Life of Pi.

Canongate Books, 330 blz. €19,95

    • Stine Jensen