De Vlaamse Kennedy's gevloerd

Waar waren we gebleven?

In 1997 verscheen van Tom Lanoye Het goddelijke monster, een portret van het geslacht Deschryver, prominent in landsbestuur en industrie en rot tot op het bot. Een broeinest van corruptie en perversie, het hele repertoire van het verderf, en dat tegen de achtergrond van een omgeving die daar toch al geen gebrek aan lijkt te hebben. Er is sprake van een kindermoordenaar die almaar niet wordt opgepakt. Er is een bende die warenhuizen leegschiet voor een halflege kassa. Er zijn missers bij justitie, doofpotten op ministeries en achterommetjes in het bedrijfsleven. Met een hardnekkig toeval duikt daarbij steeds weer de naam Deschryver op, al weet niemand er het fijne van, en gaandeweg ontstaan er dwarsverbanden tussen het verhaal van de familieleden en dat van hun land. Uit hun portret groeit een portret van België – het België dat in de jaren negentig een wereldnaam opbouwde als reservaat voor ritselaars en halve garen.

Nu eindigde dat boek, merkwaardigerwijs niet aangekondigd op het omslag, na de laatste zin met `Einde deel I'. We mochten dus nog meer verwachten. En vooruit, waarom ook niet, de beerput van de Belgen leek nog lang niet leeg. Er scheen zelfs helemaal geen bodem in te zitten, de schandalen woekerden tot in de Witte Beweging die nu juist was opgericht om ze tot staan te brengen.

Maar toen het vervolg in 1999 verscheen als Zwarte tranen bleek het onvoorstelbare gebeurd te zijn. In Brussel was de oude garde van het pluche gekegeld door een kakelfris kabinet en op het front van de schandalen werd het rustiger. Het land begon weer deel te nemen aan een algemeen beschaafd cultuurpatroon en het portret van een verdorven Vlaams geslacht verschoot van kleur. Het wees de vinger niet meer naar de actualiteiten, het wees terug naar waar het eigenlijk vandaan kwam, naar de schrijver en zijn binnenwereld. Hij was hier de bron van de verdorvenheid. Hij had het eigenlijk over zichzelf – en verdomd, hij wist het blijkbaar van zichzelf. Want waarom anders noemde hij die lui Deschryver?

Inmiddels zijn we nog eens drie jaar verder, na een laatste pagina met `Einde deel II', en is het beeld van de actualiteiten andermaal gekanteld. België houdt zich voorlopig rustig, je hoort er haast nooit meer van. Maar op de een of andere manier zitten de ritselaars en halve garen nu bij ons in Nederland. Ze oefenen zich in Den Haag in een soort folklorepolitiek waar Brussel nog een puntje aan kan zuigen en zijn zelf inmiddels al de tel van hun schandalen kwijt. Hoogtijd, kortom, voor een nieuw deel over de Deschryvers. Wie weet hoe het beeld van de caleidoscoop dit keer verspringt.

Volgende week verschijnt Boze tongen, volgens Lanoye nu echt het slot van het project. En daar ziet het ook inderdaad naar uit, want de familieleden lopen op hun laatste benen. Aartsvader Herman, oud-minister en bankier, is na een lange lijst schandalen op de vlucht geslagen en rijdt in vermomming kriskras door Europa. Zijn broer Leo, fabrikant in kamerbreed tapijt en ook al tot de nek in dubieuze zaken, is zo bang dat hij wordt afgeluisterd dat hij voor elk telefoontje bij een illegale Joegoslaaf een nieuwe gsm koopt. Een paar zussen zijn naar Frankrijk uitgeweken. Een paar zoons zijn aan de coke of op de fles of allebei, en bovendien al helemaal onvindbaar. Om nog maar te zwijgen van de familieleden die zijn omgekomen onder onduidelijke omstandigheden, of door toedoen van weer andere familieleden. De Deschryvers zijn de Kennedy's van Vlaanderen, gestegen tot het hoogste en neergehaald door noodlot en justitie.

Dat verval is geen verrassing. Het zat al vanaf de eerste bladzij ingebakken in de trilogie, eenvoudigweg omdat het ingebakken zit in de karakters. Dat zijn mensen die er domweg niet in slagen iets de moeite waard te vinden – iets dat verder dan hun eigen overleving gaat althans. Waardering voor elkaar hebben ze niet, of zo vermengd met mindere gevoelens en verminkt in double binds dat het effect alleen maar averechts is. Waardering voor zichzelf hebben ze ook niet, of het moet zijn als ze een ander te grazen nemen. Hun emoties neigen steevast naar het destructieve, tegenover anderen en op den duur ook tegenover zichzelf. Frustratie is regel, onverschilligheid is nog het beste.

Maar in dit slotdeel zet Lanoye daar iets tegenover, een verlossend perspectief haast, via het personage dat van meet af aan het hart van het project geweest is. Katrien. Een dochter van Herman en een vrouw van een verbijsterende schoonheid, zo onwezenlijk en eigenlijk zo leeg dat iedereen zijn eigen ziel erin kan leggen. Voor de een is ze een `brengster van platonische vertroosting', voor de ander `de ultieme snelle wip achter een schutting', en het wonderlijke is dat ze zich soepel aan de wensen aanpast. Ze wordt wat men wil dat ze is, ze is het `plastic spiegeltje waar anderen hun verlangens in zien kaatsen'.

Zo was het tenminste tot nog toe. Maar al dat spiegelen heeft haar niets goeds gebracht, door die destructieve driften om haar heen. Buiten haar wil is zij in de loop der jaren oorzaak geworden van het uitbranden van een Academie van Schone Kunsten, het spiezen van een kater en het overlijden van een buurjongen, een broer, een oom, een tante, een echtgenoot en een zoontje. Zelfs haar arrestatie maakt geen eind aan het misbaar, tot in haar cel richt ze ellende aan, en dat brengt haar tot het besef dat het zo niet kan doorgaan. Ze moet iets doen.

`Katrien schond haar aangezicht.' Die zin opent het boek en kleurt alles wat volgt. Katrien verwoest haar schoonheid met de scherven van een spiegel tot er geen aangezicht meer overblijft om iets te spiegelen. Dat geeft haar eindelijk de macht over haar leven, voortaan doet ze wat ze zelf wil, en het draagt ook nog eens bij tot een opmerkelijke vergeestelijking. Steeds vaker wordt ze in haar cel bezocht door beelden in een rosse gloed, cryptisch en voorspellend als de visioenen van de middeleeuwse mystici. Ze opent zich voor de Andere Wereld.

Vervolgens krijgt die wereld nota bene zelf het woord. In een paar hoofdstukken verschuift het perspectief naar de familiedoden, die als toeschouwer nog altijd blijken mee te kijken naar de strubbelingen van de levenden. En zich daarmee vermaken. Ze hebben hun destructiedriften aan de kant gezet, ze zijn een opgeklaarde versie van zichzelf geworden en genieten van hun nieuwe staat. Het dodenrijk als rusthuis Weltevree.

Maar ook in het rijk der levenden gloort er een sprankje hoop. Katriens vader Herman, eerder ook al de minst onbeschaafde van het stel, benut de weken die hij zwervend door Europa in de auto doorbrengt onder meer om na te denken over de moraal. En ook al duurt het even voor hij daar zelf consequenties aan verbindt, uiteindelijk roept hij zichzelf tot de orde en rijdt huiswaarts. Hij moet zijn verleden onder ogen zien en orde op zaken stellen.

Zo krijgt het nihilisme uit de eerste delen van de trilogie gezelschap van een zekere troost en zelfs een zeker moralisme, om ten slotte samen te vloeien in, ja, wat? De laatste scènes komen Herman en Katrien, die vervroegd wordt vrijgelaten, elkaar tegen in zijn kantoor te Brussel. Herman huilt over de ondergang van de familie. Katrien stelt daar beschuldigende vragen over. Herman biedt God aan om hem te straffen. Ze omhelzen elkaar en, ach wat mooi, ze worden het ten slotte eens. `De waarheid, niets dan de waarheid!' roept een tranerige Herman uit. `En dan komt alles toch nog goed!'

Een happy ending dus. Maar wel zo dik uitgesmeerd, naar alle regels van het melodrama, dat je het met argwaan leest en merkt dat ze het eigenlijk meteen alweer oneens zijn hoe die waarheid wel mag luiden. En hoezo de waarheid? Herman is daar op kantoor intussen als een wilde bezig zijn dossiers te schonen – niet voor justitie maar voor de open haard. Al is de waarheid nog zo snel, de leugen achterhaalt haar wel, en zo staat de moraal van het verhaal nog voor ze goed wel is uitgesproken weer op losse schroeven.

Dat is amusant om te lezen en geheel in lijn met het voorafgaande. De hele trilogie door put Lanoye zich uit in overdrijving en ondermijning, om niet te zeggen dat hij schmiert dat het een aard heeft. Hij doet dat zelfs in dialect, voor meer effect, en doet het zo vitaal en rap en smeuïg dat je hem het grofste effect nog vergeeft. Hoe uitzinniger en dubbelzinniger, hoe amusanter.

Maar helemaal bevredigend is dat uiteindelijk toch niet. Dubbelzinnigheid mag dan het voorrecht zijn van literatuur, ter afronding van drie romans van al met al zo'n veertienhonderd bladzijden verwacht je toch iets meer dan dat. Je hoopt op een ontlading of ontdekking, je hoopt op z'n minst dat er in alle dubbelzinnigheden iets op scherp wordt gezet. Maar niets daarvan. Lanoye raakt aan grote vragen van moraal en wat niet al, maar neemt ze nergens serieus genoeg om een punt te maken. Als het erop aankomt zet hij ze alleen maar in voor het vermaak.

Als je kwaad wil, kun je daarom zeggen dat Lanoye in deze cyclus inderdaad al net zo rot is als zijn personages. Wie de grote vragen instrumenteel gebruikt, als waren ze uitwisselbaar, die is pas echt een nihilist. Maar ik krijg meer de indruk dat Lanoye, hoewel toch al een jaar of twintig schrijver en bijzonder productief daarbij, nog altijd niet helemaal raad weet met de thema's die hij opwerpt. In hem zit een nihilist, maar ook een moralist en nog het een en ander, en hij kan maar niet kiezen. Die caleidoscoop van deze trilogie die steeds van beeld verspringt, dat is hij zelf.

Tom Lanoye: Boze tongen. Prometheus, 439 blz. €23,50 (geb.) €18,95

Boze tongen is verkrijgbaar vanaf midden volgende week

    • Hans Goedkoop