De uitweidingen van een erudiete zwetser

Nabokov – en ik heb de pen niet gericht op de Franse uitgever met wie ik een visje prikte in restaurant Le petit Saint Benoît waarbij ik tot mijn ontsteltenis merkte dat zijn Russisch zo slecht was dat hij de klemtoon op prikladnaja verkeerd legde zodat ik voorstelde dat we in het Frans verder zouden gaan, en ik heb het ook niet over de ex-operazanger die in het Slavisch Huis binnenstapte met een theatraal gebroken arm om de lof te zingen van een bête boekje dat hij kennelijk niet gelezen had, en ik heb het al evenmin over de Russische balling-politicus die in Berlijn door een schot dat van rechts kwam werd neergepaft omdat hij zich wierp voor de man waarop geschoten werd, want die drie Nabokovs zijn slechts verre neef, verre zoon en verre vader van de schrijver van Bleek Vuur – heeft in dat Bleke Vuur gedemonstreerd hoe hij een erudiete opschepper die een pedant commentaar schrijft, briljant kon persifleren, wat niet te verbazen is omdat deze neef, zoon en vader alles wat hij deed briljant deed, maar wat het treurige effect heeft dat andere schrijvers denken: dan kan ik ook, gewoon lekker veel overbodige uitweidingen, exotische weetjes, spannende uitstapjes in verre stadjes, ontmoetingen met nare mannen en schone vrouwen, wispelturig literair gedonderjaag, dat gaat er altijd wel in, en als het er niet in gaat, dan noem ik de lezer stom.

Guus Luijters heeft ooit een zweepslag van Jeroen Brouwers gekregen die hem verweet jongetjes-literatuur te schrijven, waartoe gekke Jeroen trouwens ook Elsschot, Thijssen, Nescio en Karel van het Reve rekende, dus Luijters had op dat gezelschap trots mogen wezen, maar veertig jaar na dato blijkt die zwieper hem het pad van de persiflage van de erudiete zwetser, waarachter toch maar een echte erudiete auteur verscholen moet zitten, te hebben opgedreven, een pad dat simpel begaanbaar lijkt als je maar, zoals ik in de eerste zin deed, in plaats van schrik ontsteltenis schrijft, of beter nog hartkloppende ontsteltenis, zoals elke diepte peilloos heet, elk licht merkwaardig, elk arts bevriend, elke zaak merkwaardig, en dat allemaal op bladzijde 200, en daarom heeft hij in die onverdraaglijk-geestige, erudiet-wijduitwaaierende stijl een boekje geschreven, dat ik met dorstige belangstelling las omdat het over Rosa ter Beek ging, die ik toen ze dertien was goed gekend en zelfs in de Reestraat gekust heb, niet vermoedend dat ze op Bloomsday en Sowetoday 16-6-61 een gedicht zou schrijven en op de dag dat Symmys verscheen, dus 19-9-1991 nóg een, waarna ze volgens biograaf Luijters stierf, maar ik heb goed nieuws voor hem: Rosa lééft, net als haar hondje Asor, beiden onsterfelijk gemaakt in het door Nabokov aan Léon Noël in 1939 verklapte Russische palindroom A roza upala na lapa Azora (En Rosa viel in Asors klauw), want Rosa ter Beek schreef in NRC Handelsblad van 12 september 2002 in de rubriek `Kost en Inwoning' van Gerrit Komrij een gaststuk om diens vers `De zittende politicus', waarin pirouette rijmt op pret, twee woorden die geheel op de bovenste regel van het letterklavier getikt kunnen worden, toe te lichten.

Luijters laat zich graag afleiden en komt zo te spreken over het hotel in de Schonekunstenstraat waar Prévert eens woonde, maar verzuimt te melden dat dit het hotel is waar Oscar Wilde ruim een eeuw geleden stierf en Borges een kwart eeuw geleden leefde, en dat het tevens het enige hotel ter wereld is dat de naam `Het Hotel', in het Gallisch derhalve (haast had ik ordinair in het Frans dus geschreven) l'Hôtel, draagt, terwijl hij op pagina 111 over het restaurant Au petit Saint-Benoît aan zijn lezer vraagt: `Wat was Au Petit Saint-Benoît voor restaurant?', welke vraag ik, aangezien ik er zojuist een kroketje vorkte dan maar zal beantwoorden, hoewel eigenlijk een erudiete, wispelturige schrijver niet zozeer irritante vragen moet stellen als wel interessante weetjes moet vertellen. Welnu: het restaurant Le petit Saint Benoît, zoals op de gevel staat, is te vinden op nummer vier van de Rue Benoît, dus vlak bij de Rue Jacob, en is twee keer zo breed als het dichter bij het Sint-Herman-bolwerk gelegen restaurant Saint Benoît dat naast het verfijnde Hotel Crystal ligt, waar Joop van Tijn zijn kroost eens per jaar uitnodigde.

U denkt misschien dat erudiet-wijdlopig-literair schrijven eenvoudig is, maar ik word er doodmoe van en hou er mee op. Houdt u van het genre, lees dan deze grafisch biologerende biografie van Rosa ter Beek, mijn lekkere schat uit de Reestraat.

Guus Luijters: Het korte leven van Rosa ter Beek. Een biografie. L.J. Veen, 256 blz. €15,50

    • H. Brandt Corstius