De doeners van het Balticum

Tien nieuwe landen komen, als alles goed blijft gaan, in 2004 bij de EU. Wie zijn de nieuwkomers eigenlijk? Deel zes van een serie van tien portretjes: de Esten.

Een voorval uit de Sovjet-tijd: in een winkel worden Finse tv-toestellen te koop aangeboden. Onmiddellijk vormt zich een lange rij kopers. Een Est, een Let en een Litouwer sluiten gelijktijdig aan. Na enkele uren staat de Let nog steeds achteraan: anderen duwen hem steeds opzij en hij durft zich niet te verzetten. De Litouwer staat dankzij een goed gebruik van zijn ellebogen en zijn mondwerk halverwege de rij. De Est zit dan al thuis naar zijn nieuwe tv te kijken, naar het Finse programma uiteraard, want de Est verstaat Fins.

De anecdote, door Joris Slachmuylders verhaald in de bundel `De Balten', maakt duidelijk: de Est is de doener van het Balticum. Toen Estland nog deel uitmaakte van de Sovjet-Unie had het in die Unie het hoogste gemiddelde opleidingsniveau, het hoogste gemiddelde inkomen, het laagste percentage analfabeten, de relatief grootste privé-sector. Ze zijn in de jaren negentig ook drastischer en consequenter begonnen met hervormen dan de Letten, de aarzelaars van het Balticum, en de Litouwers, de minst consequenten, en zeker, de Esten zijn geholpen dooor de Finnen, het broedervolk aan de overkant van de Finse Golf, maar toch: geaarzeld hebben de Esten geen moment.

Ze zijn niet verwant aan de Letten en Litouwers, niet etnisch, niet linguïstisch, niet historisch, ze zijn verwant aan de Finnen, en ze zijn een beetje als die Finnen. Geen praters. Doeners, pragmatici, rationeel. Een boerenvolk. Introvert zijn ze, in zichzelf gekeerd. Saai, stijf en humorloos, vinden de andere Balten. De Russen vonden hen altijd koel, kil zelfs, wegens dat zwijgen, en zij vonden de Russen altijd kinderachtige zwetsers, al dat gepraat over gevoelens, een Est doet dat niet. In het Ests is het woord voor `dichter' – luuletaja – ook het woord voor `leugenaar'. ,,Esten zijn bang voor intimiteit'', zei de dichter/leugenaar Jaan Kaplinski eens. ,,Zelfs journalisten zijn populairder dan dichters, want ze zijn tenminste rationeel.''

Een natuurvolk: vierduizend jaar wonen ze al op hun puntje land dat de Oostzee insteekt (Westzee, zeggen ze zelf, want logisch zijn ze ook), langer dan welk ander Europees volk ook, en elke beek, elke heuvel, elke grotere steen heeft een naam. Een klein volk, ze zijn met zo weinigen dat ze nergens en nooit enig gewicht in de schaal legden.

Niets is glorieus aan de Estse geschiedenis. Ze werden eeuw-in eeuw-uit onderdrukt, door de Denen – de naam van Tallinn, hun hoofdstad met zijn prachtige en ongenaakbare middeleeuwse strengheid, komt van Tanni-linna, `Deense burcht' –, door de Teutoonse ridders, door de Duitse Baltenadel, door de Russen, de nazi's, de Sovjets. Altijd dreigden ze teloor te gaan, Ests was in de 19de eeuw een uitstervende taal die nog slechts door wat boeren en keukenmeiden werd gesproken, een taal die ook in het Ests geen Ests heette, maar `boerentaal', de taal van de `on-Duitsers', zoals Esten toen werden genoemd. Pas halverwege die 19de eeuw kwam het tot een emancipatie, toen hun liederen werden opgeschreven en hun nationale epos Kalevipoeg verscheen. Maar nog in de twintigste eeuw dreigden de Esten te verdwijnen: tussen 1940 en 1953 verloor Estland – dankzij Hitler en Stalin – een kwart van zijn bevolking door massamoord, deportatie en vlucht.

De Esten zochten in al die eeuwen hun identiteit in folklore, in zang: zingen is de Esten op het lijf geschreven, want het lied is de taal van het paradijs, schreef de dichter Alexis Rannit. Wie zingt leeft, en wie leeft hoopt, schreef 's lands vorige president, Lennart Meri.

Zwijgzame, noeste werkers in een schoon land, die schone huizen, opgeruimde keukens en keurige tafelmanieren bij arm en rijk vielen al tweehonderd jaar geleden Russische reizigers op. Wantrouwend, ook dat zijn ze, wantrouwend jegens de vreemdeling, zoals alle boeren, want de vreemdeling is best welkom, maar je moet wel oppassen dat hij er niet met je koe of je dochter vandoor gaat. Wantrouwend ook jegens de eigen regering en overheid, ,,de grootste bedreiging van Estland komt niet uit Rusland of enig ander buitenland, maar van binnenuit'', zo waarschuwde Lennart Meri eens, want ,,Esten zijn niet trots op hun politici, hun parlement, en wantrouwen hun politieke partijen en het juridische systeem en de politie.'' Dat wantrouwen strekt zich ook uit richting EU. Sterker: het houdt er verband mee, want peilingen tonen aan dat mèt de overheid die wordt gewantrouwd ook haar prioriteiten, zoals het EU-lidmaatschap, worden gewantrouwd. De EU zal zich nog populair moeten maken, bij de Esten, en ze zijn geen mensen die zich erg snel laten overtuigen.

Eerdere afleveringen op www.nrc.nl

    • Peter Michielsen