Stootlek

Verheugd kan ik mededelen dat de ploeg Senegal-Mixte weer over een volgauto beschikt. Een pick-up, zoals alle volgauto's. Dat de claxon niet werkt is een onbelangrijk detail. Hij kan niet op slot, wel een belangrijk detail. Daar staat tegenover dat het rechterportier zelfs nog niet met een koevoet te openen is.

De Ronde van Senegal is het feest van de lange verplaatsingen. De onderkomens liggen ver van start- en aankomstlijn. Dan is een pick-up handig. Wie niet binnen kan zitten gaat in de laadbak. Bovenop de bagage en de reservewielen, handdoek over het hoofd tegen de zon. Goed vasthouden moet met de diepe kraters in het wegdek. Het Afrika-gevoel is: Leven als een dobbelsteen in een werpbeker. De etappe Thies-Mboro-Thies was 130 kilometer lang. Iets verder het binnenland in is de temperatuur verder gestegen. Het landschap is nog net geen savanne. Hier en daar een Baobab-bos. Een Baobab-boom is een prachtige avant-gardistische architectonische constructie, met een massieve zuil als stam.

De kraters in het wegdek zorgen voor veel onheil. Vandaag verloor het peloton daar een man of vier aan. Wie in handen valt van de medische staf wordt ingepakt als een genocide-slachtoffer.

Stootlek noemt men een band die kapot slaat op de rand van een krater (qua banden is dit een kostbare ronde, het regent lekke banden.) Ik had er één, een Fransman vier op twintig kilometer. Met geknakt moraal gaf deze op.

Vandaag was ook een dag van de nostalgie. De koers was hard. Ik weet weer hoe het was, vroeger: een gevoel van versletenheid, spieren droog als kapot gegrild zalmvlees, hongerflauwte met tunnelvisie.

Kort contact met het vaderland leerde dat het pandemonium in Den Haag compleet is. Aan Alfa Cisse, mijn zwarte ploegbroeder, durf ik niet uit te leggen wat er de laatste maanden in mijn land gebeurd is. Hij mocht denken dat ik uit een ontwikkelingsland kom.