Nokken

AFNOKKEN. Er zijn veel manieren om te zeggen dat je ergens mee stopt. Zelf mag ik graag het woord afnokken gebruiken. ,,Zeg jongens, we nokken af.'' De herkomst ligt voor de hand: afnokken is afgeleid van het Engelse to knock off, `afslaan, ophouden'. De Grote Van Dale geeft als eerste betekenis `na het werk naar huis gaan, ophouden met werken', en als tweede `aftaaien, vertrekken, weggaan'. Nokken, dat op dezelfde manier wordt gebruikt, is natuurlijk een verkorting van afnokken.

AFKNOKKEN. Taal komt uit je hersens, maar soms zijn je vingers je hersens te snel af. Of beter: soms dicteren je hersens je vingers sneller dan je zou willen. Zo wilde het mij maar niet lukken om afnokken te schrijven, telkens kwam er afKnokken te staan, ik neem aan doordat de lettercombinatie afk veel vaker voorkomt dan afn. De Grote Van Dale geeft als voorbeeldzin bij afknokken: (heel) wat afknokken voor `veel vechten'. Etymologisch is er geen verband tussen afknokken en afnokken, maar inhoudelijk kan het een soms tot het ander leiden.

AFTAAIEN. Aftaaien is pas in de tweede helft van de 20ste eeuw voor het eerst opgetekend, in de Amsterdamse dieventaal. Het gaat terug op het Engelse to tie up dat in de eerste plaats `vastbinden' betekent, maar dat figuurlijk wordt gebruikt voor `beëindigen, afronden'. Ik ken het alleen in de betekenis `ophouden of weggaan', maar volgens de woordenboeken kun je ook zeggen zich laten aftaaien voor `zich laten ontslaan, afdanken'.

OPKRASSEN. Curieus is dat veel woorden met als betekenis `opstappen, weggaan' betrekkelijk jong zijn. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor opkrassen, dat pas in 1838 voor het eerst is gesignaleerd. Het Woordenboek der Nederlandsche Taal geeft als definitie `weggaan, zich wegpakken, opkramen' en vermeldt dat we hier te maken hebben met `gemeenzame taal'. Hij is opgekrast werd ook gebruikt voor `hij is gestorven'. Een vormvariant was opkrossen.

OPSODEMIETEREN. Je hebt maar weinig bijbelkennis nodig om te zien dat opsodemieteren uiteindelijk teruggaat op Sodom, de zondige stad aan de oever van de Dode Zee. Hoewel opsodemieteren door menigeen als `zeer plat' wordt ervaren, kom je het geregeld in kranten en tijdschriften tegen. Zo schreef Ruud Verdonck onlangs in Trouw: ,,We moeten wel de democratie in ere houden, zei Jeltje [van Nieuwenhoven]. We gaan deze zomer enkele kamerleden zo onder druk zetten dat ze vanzelf opsodemieteren.''

OPFLIKKEREN. Opflikkeren is al een heel oud woord, maar dan in de betekenis `met sterk schijnsel opvlammen'. Denk maar aan het opflikkeren van een vlam, woede of hartstocht. De betekenis `ophoepelen, maken dat je wegkomt' is pas in 1937 voor het eerst opgetekend, in een Bargoens woordenboekje, en zal wel met flikker in de betekenis `homo, sodemieter' te maken hebben.

OPHOEPELEN. Bestaat er een verband tussen hoepelen met een hoepel en ophoepelen in de betekenis `zich uit de voeten maken'? Zeker. Aanvankelijk zei men loop hoepelen voor `loop heen' (wij zouden nu zeggen `ga fietsen'), maar onder invloed van woorden als opdonderen, opkrassen en oprotten is dat ophoepelen geworden. Het is onder meer aangetroffen bij Kneppelhout en Multatuli.

OPZOUTEN. In mijn beleving is opzouten een van de jongste synoniemen voor `ophoepelen'. De Grote Van Dale vermeldt deze betekenis sinds 1999, en de overige handwoordenboeken kennen haar nog helemaal niet. In andere betekenissen is het woord natuurlijk veel ouder. De oudste betekenis is `in het zout leggen (om voor bederf te bewaren)'. Eén recent voorbeeld, over het voormalig VVD-Kamerlid Cherribi: ,,Maar toen de partij die zichzelf al de grootste van Nederland waant, binnendoor werd ingehaald door Leefbaar.nl, moest hij opzouten.'' Dat was niet lang voor de verkiezingen van 2002.

(reacties en aanvullingen naar sanders@nrc.nl)

    • Ewoud Sanders