Heinsbroek slaat regeling wachtgeld af

De gisteren afgetreden minister Heinsbroek (Economische Zaken) zal geen gebruik maken van de wachtgeldregeling voor ministers. Hij riep zijn ex-collega Bomhoff (Volksgezondheid) op hetzelfde te doen.

Een minister of staatssecretaris heeft meteen na zijn of haar beëdiging, recht op twee jaar wachtgeld. Bewindspersonen die langer dan twee jaar in dienst zijn bouwen meer wachtgeldjaren op, tot een maximum van zes jaar. Een Kamerlid moet minimaal drie maanden in functie zijn geweest om voor twee jaar wachtgeld in aanmerking te komen. Bij minder dan drie maanden in functie te zijn geweest heeft een Kamerlid recht op een half jaar wachtgeld. Voor de huidige Kamerleden betekent dit, inclusief alle LPF-Kamerleden, dat ze recht hebben op twee jaar wachtgeld.

Het wachtgeld bedraagt in het eerste jaar na aftreden tachtig procent van het salaris. Het daarop volgende jaar wordt er zeventig procent van het salaris uitgekeerd. Het bruto maandsalaris van een minister bedraagt 9124 euro, dat van een staatssecretaris 8558 euro en van een Kamerlid 6766 euro.

De wachtgeldregeling kwam onder vuur te liggen naar aanleiding van de affaire rond ex-staatssecretaris Philomena Bijlhout. Zij moest enkele uren na haar aantreden als staatsecreataris van Emancipatie en Gezinszaken aftreden, maar heeft wel recht op twee jaar wachtgeld.

Daarop besloot de ministerraad op 20 september om de wachtgeldregeling te versoberen. Door deze versobering hebben bewindspersonen die korter dan drie maanden in functie zijn geweest, nog maar recht hebben op zes maanden wachtgeld. Hierdoor wordt de wachtgeldregeling voor ministers en staatssecretarissen gelijk getrokken aan die van politieke ambtsdragers zoals kamerleden en wethouders.

De Tweede Kamer moet nog stemmen over deze wetswijziging. Jan Marijnissen (SP) riep gisteren op dit onderwerp niet controversieel te verklaren en de wetswijziging zo snel mogelijk aan te nemen.