Gehakt met kersen; komkommer met granaatappel

Vandaag twee eeuwenoude Arabische gerechten met vruchten: gehaktballetjes en een salade.

Het gehakt moet uiterst fijn gemalen zijn. Ontpit de kersen, vang sap op. Doe het gehakt in een kom en daarbij de helft van de komijn, het kruidnagelpoeder, de helft van de kaneel en bovendien wat zout en peper. Alles goed door elkaar kneden. Draai balletjes zo groot als een walnoot. Verhit drie eetlepels olie in een braad- of hapjespan. Bak daarin de gehaktballetjes rondom bruin. Schep ze op een bord en giet overtollig vet af. Smelt de boter in de pan. Verwarm hierin een minuut lang de kersen met opgevangen sap. Voeg 1 deciliter water, een lepel honing en de rest van de kaneel en de komijn toe. Doe ook de gehaktballetjes erbij. Alles een kwartier laten stoven. Verhit intussen een eetlepel olie in een koekenpan en bak hierin de amandelen lichtbruin. Laat ze op keukenpapier uitlekken. Strooi de amandelen over de balletjes en de kersen. Eet er rijst bij of vul er pitabroodjes mee.

Halveer voor de salade de granaatappel. Haal, bijvoorbeeld met een vork, de rode granaatappelzaden eruit. Verwijder de witte (bittere) vliezen. Schil de komkommer en snijd hem in de lengte in vieren. Snijd de zaadjes weg. Snijd de komkommerdelen in dunne plakjes. Pel de ui, snijd hem in smalle parten en die weer in stukjes. Meng in een kom de stukjes komkommer en ui met de granaatappelpitten. Breng de salade op smaak met citroensap, olie, zout, peper en fijngesneden munt. Laat de schaal ten minste een half uur afgedekt staan. Lekker bij gegrilde kip of geroosterd vlees.