Arme landen moeten meer macht krijgen

Europeanen bestrijden de armoede in de wereld, maar bestendigen haar ook. Aan deze hypocriete situatie moet een einde komen, vindt Guy Verhofstadt aan de vooravond van de Tweede Internationale Conferentie over Globalisering, die op 26 november in Leuven wordt gehouden.

Terwijl de wereld toekijkt hoe de slag om Irak verloopt, zijn er wat prangende vragen uit het nieuws verdwenen. Herinnert er zich iemand nog de scherpe polemieken tussen globalisten en antiglobalisten, amper een jaar geleden? Is armoede als thema uit de mode?

Was dat niet de kwestie van de eeuw: hoe een gewelddadige klassenstrijd te vermijden tussen 's werelds armsten en 's werelds rijksten? Tussen twee miljard mensen die elke dag opnieuw trachten te overleven in een strijd tegen honger en ziekte, en een half miljard anderen wier voornaamste zorg bestaat uit het raden van de plot in de dagelijkse soap? Het verschil in inkomen tussen de twee is vandaag gemiddeld één tegenover dertig. Het probleem is dat dit verschil niet kleiner, maar groter wordt.

Tussen de twee groepen in zijn er ongeveer drie miljard mensen die ook gewonnen hebben bij de globalisering. Volkeren, vooral in Azië, die zich in één generatie losgerukt hebben van het dagelijks gevecht om huis, kleren en eten. Zij zijn het bewijs dat globalisering, vrije markt en vrijhandel de beste methode – de enige bewezen methode – vormen om armoede te doen verdwijnen.

De ontwikkelingen in de Wereldhandelsorganisatie (WTO) namen vorig jaar, in Doha, een veelbelovende wending naar vrijhandel èn meer ontwikkeling. Maar we hoeven niet op de WTO te wachten. We kunnen, als Europeanen, onze eigen inspanningen opdrijven. We kunnen nu al meer vrijhandel mogelijk maken. Het Europese `Everything but Arms'-initiatief van februari vorig jaar, waarbij de 48 minst ontwikkelde landen tol- en quotavrije toegang kregen tot de Europese markt, vormde een belangrijke stap. Maar is het niet hypocriet dat juist de productie van die landbouwproducten die voor veel ontwikkelingslanden van levensbelang zijn – bananen, rijst en suiker – grotendeels van die vrije toegang tot onze markt uitgesloten blijven, tot respectievelijk 2006 en 2009?

Het is tekenend dat een aantal ontwikkelingslanden, die qua inkomen nauwelijks boven de allerarmsten uitstijgen, van deze Europese maatregel uitgesloten blijft. En het is schrijnend dat het Europese initiatief tot nog toe bitter weinig navolging heeft gekregen van andere rijke handelsmogendheden.

In ontwikkelingslanden leeft tot 70 procent van de mensen van de landbouw. In het rijke noorden zelden meer dan 5 procent. Miljarden mensen zijn van landbouw afhankelijk. Toch hanteren de OESO-landen nog steeds invoertarieven voor landbouwproducten van gemiddeld 40 procent. Dat was ook het gemiddelde tarief op industriële goederen halfweg vorige eeuw, toen vrijhandel vrijwel niet bestond. Nu ligt dat gemiddelde op 5 procent.

Maar er is meer. Subsidies, die er destijds toe hebben bijgedragen dat Europa zijn eigen voedseltekort wist uit te bannen, drijven vandaag boeren in ontwikkelingslanden van hun akkers. De productie van suiker kost in Europa tweemaal zoveel als in Zuid-Afrika, maar het is de Europese suiker die daar de lokale verdringt. Geïmporteerd Europees melkpoeder heeft de voorbije vijf jaar de melkproductie in Jamaica met eenderde doen dalen. Europese vissers krijgen dermate veel steun dat ze met hun moderne vloten de schaarser wordende visgronden voor de Afrikaanse kusten kunnen leeghalen.

Ondanks hervormingen worden Europese boeren en landbouwbedrijven nog steeds gesubsidieerd om hun armste concurrenten van de markt te verdrijven. Europa betaalt jaarlijks 120 miljoen euro ontwikkelingshulp aan Zuid-Afrika. Maar het land verliest, ingevolge het dumpen van Europese suiker op zijn markt, elk jaar ruim 100 miljoen euro aan potentiële exportinkomsten. Wij, Europeanen, bestrijden de armoede met de ene hand, maar beletten die te verdwijnen met de andere. Wij verzachten de armoede, maar bestendigen haar ook.

De armste landen hebben meer geld nodig. Geld kan er komen van schuldverlichting, op voorwaarde dat de opbrengst niet meteen dient voor nieuwe limousines voor de heersende klasse. Het versterkte zogeheten HIPC-initiatief, dat schuldverlichting koppelt aan een programma van armoedebestrijding en economische hervormingen, gaat in de goede richting, maar kan nog uitgebreid worden naar meer arme landen. En waarom niet alle multilaterale, bilaterale en privé-crediteuren samenbrengen onder het HIPC-fonds, en het sterker koppelen aan de VN-Milleniumdoelstellingen van menselijke ontwikkeling?

Geld kan er ook komen uit verhoging van de ontwikkelingshulp. Het rijke westen verstrekte in 1990 gemiddeld 32 dollar hulp per Afrikaan. Vandaag is dat bedrag vrijwel gehalveerd. Het zou verdubbeld moeten worden. Al zijn er wel voorwaarden. Er is een grotere kostenefficiëntie van de ontwikkelingshulp nodig, om te beginnen in de EU.

De kredieten zijn versnipperd over nationale budgetten, onderhevig aan impulsen uit de koloniale tijd, en aan verzuchtingen van handelspromotie. NGO's lijden aan bureaucratisering. Administratieve kosten slorpen een flink stuk van de fondsen op. Paternalisme blijft vaak het kenmerk van de westerse NGO's en ontwikkelingsoverheden. Soms nemen die zelfs een stuk regering in arme landen over, terwijl precies de ontvoogding van de mensen van het land zelf essentieel is om tot ontwikkeling en welvaart te komen.

Daarom moeten we de arme landen een grotere stem durven geven. Ze formuleren hun verzoeken met aandrang, maar worden vaak niet gehoord. Mijn voorstel van een internationale politieke gezagsstructuur, op basis van continentale samenwerkingsverbanden, creëert een democratisch multipolair overleg op wereldschaal, waarbij de stem van de armere continenten al een stuk zwaarder zal wegen dan voorheen. Europa zou al een intensere samenwerking met de Afrikaanse Unie kunnen uitbouwen, onder meer op basis van het New Partnership for Africa's Development, dat alle elementen van de nieuwe ontwikkelingsconsensus in zich draagt.

De armoede in de wereld vereist een eensgezinde aanpak. Het is nu tijd voor actie en voor tussenkomsten waar de vrije markt tekortschiet. Zoals Benjamin Barber stelt: ,,Als de rechtvaardigheid niet gelijk kan worden verdeeld, zal de onrechtvaardigheid zich gelijk verdelen. Als niet iedereen kan delen in de welvaart, zal verpaupering – in materiële en spirituele zin – ons allen ten deel vallen. Dat is de harde les die wederzijdse afhankelijkheid ons leert.'' Dit is de uitdaging die wij moeten opnemen. In ons eigen belang.

Guy Verhofstadt is premier van België.

guy.verhofstadt@globalisationdebate.be