`Zaak-Brongersma opnieuw behandelen'

De zaak-Brongersma, over hulp bij zelfdoding aan de ex-PvdA-senator die leed aan zijn ouderdom, moet volgens waarnemend advocaat-generaal N. Keijzer opnieuw door een gerechtshof worden behandeld, bij voorkeur met inachtneming van de nieuwe euthanasiewetgeving. Dit adviseert Keijzer de Hoge Raad, die de cassatie behandelt die P. Sutorius, de huisarts van E. Brongersma (86) instelde. Het Amsterdamse gerechtshof verklaarde hem eind vorig jaar schuldig aan hulp bij zelfdoding, maar legde geen straf op. Dit was conform de eis van het openbaar ministerie, dat vooral ,,principieel een grens'' wilde stellen.

Sutorius' raadsman J. Sjöcrona meent volgens Keijzer ten onrechte dat zijn cliënt een beroep op een noodtoestand toekomt, omdat hij in een zogeheten `conflict van plichten' gehandeld zou hebben als arts die zich nu eenmaal genoodzaakt ziet het lijden van zijn patiënt te verlichten. Bovendien, aldus Sjöcrona, kon Sutorius niet worden verweten dat hij zich vergist had in enkele finesses van het recht dit heet een beroep op `verontschuldigbare rechtsdwaling'. Het hof vond dat Sutorius nog meer deskundigen een second opinion had moeten vragen dan de psychiater en de collega-huisarts die hij raadpleegde. Keijzer vindt dat het hof dit verwerpen van verontschuldigbare rechtsdwaling onvoldoende heeft gemotiveerd.

Bovendien is volgens Keijzer ,,cruciaal'' dat de wetgever inmiddels ,,blijk heeft gegeven van gewijzigd inzicht'' over de vraag of huisartsen als Sutorius te straffen zijn. Sinds vorig voorjaar de nieuwe euthanasiewet werd aangenomen kan de rechter slechts `marginaal' toetsen of een arts overtuigd was van het ondraaglijk en uitzichtloos lijden van een patiënt. Of dat lijden ondraaglijk en uitzichtloos was, stelt Keijzer, is dus niet langer aan de rechter om te beoordelen. Toen Sutorius voor het hof moest komen, was dat nog wel de vraag; inmiddels gaat het erom of hij de wettelijke zorgvuldigheidscriteria in acht heeft genomen.

Opvallend is dat de Hoge Raad aldus wordt aanbevolen een euthanasiezaak te toetsen aan wetgeving die juist niet vooruit heeft willen lopen op jurisprudentie van diezelfde Hoge Raad. Toen de nieuwe euthanasiewet in de senaat werd behandeld, sloot toenmalig minister Korthals (Justitie) niet uit dat op den duur ook het criterium dat iemand levensmoe is, als rechtvaardigingsgrond wordt erkend. Maar hij verwees toen juist naar de te verwachten jurisprudentie in de zaak-Brongersma. ,,Het wordt een beetje een kip-of-ei-vraag'' erkende de griffier van de Hoge Raad vanmorgen, benadrukkend dat het om een ,,vrijblijvend'' advies aan het hoogste rechtscollege gaat.