Uitvaartdienst wijst Nederland de weg

Met de wijze waarop prins Claus gisteren in de Nieuwe Kerk van Delft is bijgezet, heeft het koninklijk huis Nederland een grote dienst bewezen, vindt Willemien Otten.

Religieuze plechtigheden hebben het afgelopen jaar een samenbindende factor in Nederland gevormd, ook al is dit temidden van de hectiek rondom de moord op Fortuyn en gebeurtenissen daarna, misschien niet onmiddellijk opgevallen. Deze bijdrage van religieuze zijde aan de cohesie van de Nederlandse samenleving moet niet meteen terzijde worden geschoven, als zou het gaan om een restant van de verzuiling of slechts om restauratie van allang afgevoerde burgerlijke normen en waarden.

Al bij de begrafenis van Fortuyn was duidelijk dat de rooms-katholieke mis, opgedragen door bisschop Van Luyn, een waardig tegenwicht bood aan de hectische en welgemeende, maar ongekanaliseerde, heftig emotionele taferelen die zich buiten de kerk in Rotterdam afspeelden. Daarvoor waren er al twee waardige Nederlands-hervormde diensten geweest, geleid door ds. C. ter Linden, waarin de rol van religie ook constructief en positief was ingebracht in muziek, woord en gebaar: het huwelijk van Constantijn en Laurentien en, meer recentelijk, het huwelijk tussen Máxima en Willem-Alexander.

Bij het huwelijk van Willem-Alexander en Máxima speelde nog even de oude confessionele bloedgroepenstrijd tussen protestant (lees: Nederlands-hervormd) en katholiek (lees: rooms-katholiek) weer op. Toen duidelijk werd dat de prins en prinses hun eventuele kinderen hervormd zouden laten dopen, luwde de commotie echter al snel.

Dit was nog heel anders bij de eerste kerkelijke huwelijksinzegening sinds lange tijd: die van Maurits en Marilène in het voorjaar van 1999, hoewel daarbij niet eens een toekomstige vorst in beeld was maar wel een voormalig vorstin. Er kwam na afloop ouderwets confessioneel vuurwerk aan te pas, natuurlijk in bedekte diplomatieke termen, toen dominee Plaisier, secretaris van de Samen-op-Weg-kerken en kardinaal Simonis, aartsbisschop van de Nederlandse kerkprovincie, elkaar via de media van hun wederzijds ongenoegen in kennis stelden. Pater Oostvogel had geen correct eucharistiegebed voorgelezen, aldus de kardinaal, wat maar nauwelijks de pijn van ds. Plaisier verzachtte die veel dieper ging. Prinses Juliana had deelgenomen aan diezelfde eucharistie, paapse mis geheten in reformatorische kringen, en dat was een regelrechte breuk met de traditie van Willem de Zwijger zelf.

Het debat tussen Plaisier en Simonis tekent de impasse waarin de oecumene in Nederland inmiddels verzeild is geraakt. Genoemde kerken zijn zo verzwakt – ofwel door een interne machtsstrijd aan protestantse kant over de bijna failliete Samen-op-Weg-fusie of, in geval van de Nederlandse katholieke kerk, juist door het ontbreken van enig intellectueel tegenwicht tegen de hiërarchie – dat zij alleen bij rampen nog gezamenlijk naar buiten kunnen treden. In een land waarin ondanks de verkiezingsoverwinning van het CDA het christendom zelf onder vuur ligt en er dringend behoefte is aan een doordenking van wat de multiculturele samenleving op religieus gebied inhoudt c.q. of het christendom ons hierbij nog iets te zeggen heeft, biedt dat weinig perspectief.

Aan het met elkaar inhoudelijk in gesprek treden komt men dus niet toe, alleen bij ceremonieel vertoon is men gebroederlijk aanwezig. Op 11 september 2001 zagen de dominee en de kardinaal elkaar ongeveer voor het laatst. En na 2 februari nu weer bij de begrafenis van prins Claus. Even laaide nog een kleine veenbrand op toen maandag in deze krant een conservatieve katholieke groepering zich boos toonde dat een ontslagen priester de overdenking zou houden. Het Vaticaan kondigde eerder dit jaar aan zijn liederen niet meer gezongen te willen hebben. Op televisie verkondigde ds. Plaisier nog manmoedig dat de dichter Huub Oosterhuis boven de partijen stond, maar ook zijn rechtervleugel was niet blij. Ds. ter Linden gelooft al nauwelijks in de opstanding en nu ook nog een ex-priester op de preekstoel.

Aan de voet van het praalgraf van Willem de Zwijger zelf, geheel tegen de tradities van beide kerken in – en daarom een unieke oecumenisch gebeurtenis – was het dit keer de dominee die de liturgie, zeg maar het ritueel, leidde en de priester die het woord voerde, dat wil zeggen de preek hield. Juist op dat preken laten hervormde dominees zich altijd zo voorstaan.

En wat voor een preek. Oosterhuis overtrof verre de preken die meestal bij dergelijke koninklijke gebeurtenissen worden gehouden; als predikant overtrof hij zelfs zijn eigen dichterschap.

Hij was persoonlijk en direct, over Claus' vreemdelingschap als Duitser en zijn depressies. Hij was profetisch, over de kracht van het Oude Testament dat in de kerk van Claus' jeugd werd verdonkeremaand, net als het feit dat Jezus jood was. Zelfs Claus' normen en waarden memoreerde hij, niet op verwijtende maar troostende wijze: Claus hield van zijn plaats naast zijn vrouw en zoons.

Oosterhuis' preek was echter vooral oecumenisch: hij bleek in staat op waardige wijze als christen te spreken tot anderen: joden, medechristenen van welke richting dan ook, niet-christenen, autochtonen en allochtonen. Met deze begrafenis heeft het koningshuis, wellicht prins Claus zelf, het land op religieus gebied een grote dienst bewezen, waarvoor enige erkentelijkheid past.

Zoals ooit Willem van Oranje protestant werd om zich aan de tirannie van het katholieke Spanje te ontworstelen, zo lijkt nu de tijd rijp om ons te ontworstelen aan de houdgreep van verdeelde kerkgenootschappen – dat geldt voor het christendom evenzeer als voor de islam – om te zien wat deze geërfde religie onze samenleving werkelijk te zeggen heeft en waar zij de cohesie kan versterken. Ook in de omgang met deze veel oudere Nederlandse oorlog wijst Claus ons als vreemdeling de weg.

Prof.dr. Willemien Otten is hoogleraar kerkgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht.