Schuursponsjesland

`Italië is een schuursponsjesland.' Vaak als ik mijn gasstel schoon maak, met een schuursponsje natuurlijk, zingen die woorden door mijn hoofd. Het moet een fabrikant van schoonmaakmiddelen zijn geweest die ze uitsprak, in een interview dat heel even ging over nationale verschillen in schoonmaakgewoonten. Italië is een schuursponsjesland, zei hij. Meer heb ik helaas niet onthouden, ik lette niet goed op. Terwijl dit hoogst belangrijke kennis is, over dingen die zo vanzelfsprekend zijn dat niemand weet dat hij ze weet. Daar moet nog veel meer van te vinden zijn.

Dat Frankrijk een bleekwaterland is, of was, wist ik al. Toen ik lang geleden als au pair op twee dure meisjes in een grote villa in Bretagne moest passen, stond daar in de keuken een houten tafel waarvan het tafelblad helemaal was uitgesleten, de houtnerven waren ribbels geworden. Dat kwam door de dagelijkse behandeling met een borstel en eau de Javel, bleekwater. Het vuil dat in de ribbels bleef zitten moest steeds hardhandiger, met nog meer bleekwater, worden verwijderd.

Diezelfde zomer werd mij ook duidelijk hoe vanzelfsprekend het in Frankrijk is dat een vrouw kan koken. Een broer van mijn Franse mevrouw kwam na het eten aan (de dienstbode was al weg) en vroeg om een omelet. Gewoon, of ik even een omelet voor hem wilde maken. Ik was zeventien, ik kwam uit Nederland en ik kon dat niet. Die mogelijkheid was bij deze Fransman geen moment opgekomen. Wat hij kreeg was roerei, veel te droog roerei denk ik.

Over cultuurverschillen worden veel grote woorden gesproken, maar nooit hoor je over de gebruiken die te alledaags zijn om er moeilijk over te doen. Toch veranderen die ook, en het leven verandert mee. Het gootsteenbakje bijvoorbeeld, ooit een onmisbaar Nederlands gebruiksvoorwerp, is al bijna uitgestorven. Zelfs op rommelmarkten zie je het zelden.

Of de kwestie van het gekookte ei en het ontbrekende eierlepeltje – er bestaan landen, geloof het of niet, waar ze nooit hebben gemerkt dat het vies is als je een ei met een metalen lepel eet. Het vraagstuk of je de bloemen die je voor de gastvrouw meebrengt ingepakt laat, of inderhaast op de stoep het papier er af trekt, zoals Duitsers doen, om de ruiker in zijn natuurlijke staat te overhandigen. (Als er geen personeel is om je te verlossen van de prop papier gooi je hem in een hoek van de garderobe.) En ook grappig: in Brazilië, het koffieland bij uitstek, schijnt iedereen oploskoffie te drinken – net zoiets als Nederland, het land van room en boter, waar de meeste mensen margarine eten.

Ik droom van een grote, internationale atlas van de huis-, tuin- en keukengebruiken. Het historische deel beschrijft onder meer de overgang van zand, zeep en soda naar vim, bleekwater en groene zeep, en vervolgens naar schuurcrème en allesreiniger. En van wanneer is het schuursponsje eigenlijk? De atlas brengt nationale verschillen in beeld, maar ook verschillen tussen regio's waar niemand bij stilstaat, terwijl ze snel aan het verdwijnen zijn. Onlangs vroeg ik een visboer in Katwijk om wat zuur bij mijn haring: dat had hij niet. Maar hij bood aan mijn haring in stukjes te snijden, want dat zou ik dan ook wel willen, als Amsterdamse. Zulke dingen.

Welvaart is een grote egalisator. Zouden supermarktketens nog steeds het brood voor de filialen in Noord-Nederland donkerder bakken dan die voor het zuiden? Ik wil dat weten. Geef mij verhalen over onderzetters en navelbandjes, over soepgroente en waxinelichtjes. Wat een prachtboek zou het zijn.