Claus had meer vragen dan antwoorden

Veertig jaar na de publieke geloofsbelijdenis van prinses Wilhelmina, verwoord door hof- predikant Berkel, klonken gisteren de geloofsvragen van prins Claus uit de mond van theoloog en dichter Huub Oosterhuis.

,,Deze dienst moet naar het uitdrukkelijk verlangen van prinses Wilhelmina een getuigenis zijn van Gods leiding in ons leven en van de overwinning door Jezus Christus, de Heer.'' Met die woorden begon de hervormde Apeldoornse hofprediker ds. J.F. Berkel zijn preek bij de rouwdienst op zaterdag 8 december 1962 in de Nieuwe Kerk in Delft.

,,Claus was niet zo'n kerkganger. Het woord `God' kwam niet over zijn lippen'', zei Huub Oosterhuis gisteren in dezelfde Nieuwe Kerk. ,,[...] Het woord `God' komt ons in kerkdiensten vaak te gemakkelijk over de lippen.''

Werd de kerkdienst bij de begrafenis van Wilhelmina veertig jaar geleden gekenmerkt door het uitroepteken en een krachtige oproep zich te buigen voor God, ,,die in zijn oneindige liefde zijn Zoon gaf'', de dienst van gisteren werd eerder gekenmerkt door het vraagteken, door een hoorbare terughoudendheid om te spreken over God. Oosterhuis: ,,Claus had meer vragen dan antwoorden, zoals veel buitenkerkelijke christenen. Over mogelijke religieuze ervaringen sprak hij niet.''

Het onderscheid tussen de twee diensten is niet alleen terug te voeren op het contrast tussen twee persoonlijkheden uit de koninklijke familie, maar houdt ook verband met het proces van secularisatie. Werd het veertig jaar geleden nog betrekkelijk normaal gevonden om publiekelijk vrijmoedig over God en Jezus te spreken, de laatste decennia is godsdienst veel meer een persoonlijke zaak geworden. Ook de kerk is in haar spreken minder stellig geworden.

Daar komt bij dat de taal van bijbel en geloof door buitenstaanders veelal niet meer wordt verstaan. Als in het publieke leven religie al ter sprake komt, dan gaat het meestal om de concrete invulling en uitwerking ervan, bijvoorbeeld in het debat over normen en waarden. Het accent ligt op de vraag hoe het geloof `handen en voeten' krijgt, zoals dat wordt genoemd.

Oosterhuis releveerde in zijn overdenking dat de lutherse kerk in Duitsland in de jaren dertig het joodse Oude Testament en het jood-zijn van Jezus verdonkeremaande. Daarin stond de lutherse kerk overigens niet alleen. Ook het oude katholieke leesrooster besteedde relatief weinig aandacht aan het Oude Testament. Oosterhuis haalde met nadruk naar voren hoezeer de thora, de wetten die Mozes aan het joodse volk doorgaf, de menselijke solidariteit benadrukt. [Vervolg GELOOF: pagina 9]

GELOOF

Claus voelde zich thuis bij mystiek van Oosterhuis

[Vervolg van pagina 1] ,,De vreemdeling is de naaste bij uitstek; jaag hem niet op, jaag haar niet weg, zo staat geschreven. Zij hebben dezelfde rechten als jij.'' (Leviticus 19,34) Ook haalde Oosterhuis de profeet Amos aan, die beklemtoonde dat solidariteit en gerechtigheid belangrijker zijn dan adoratie en mooie liederen (Amos 5,21-24). Die praktische solidariteit was de leidraad in het leven van prins Claus, zo maakte Oosterhuis duidelijk. Gezien de persoonlijke vriendschap tussen beiden, heeft de prins zich kennelijk thuisgevoeld bij de persoonlijk getinte mystiek van de priester-dichter, voor wie juist in de intermenselijke relatie de relatie tussen God en mens tot uitdrukking komt. Bij Oosterhuis correspondeert de taal van de religie met de taal van de poëzie. De woorden van de dichter reiken naar datgene waar de mens niet bij kan.

In de preek bij de begrafenis van Wilhelmina lag de volle nadruk op de betekenis van Jezus voor de mens. Ds. Berkel: ,,Rotsvast was haar overtuiging dat Christus de levensvorst is, dat dus Christus door ieder moet gekend worden, dat een verdoolde wereld de rechte weg gewezen moet worden naar het vaderhart Gods. [...] Kerkelijke en onkerkelijke mensen moet het heil geboodschapt: want er is heil, redding, behoud. [...] Jezus leeft en wij met hem.'' Die stellige toon werd door Oosterhuis en ds. Carel ter Linden, die de dienst leidde, gemeden. Het was alsof in de overdenking het nieuwtestamentische spreken over Jezus in de schaduw werd gezet. De lezing uit het evangelie naar Johannes (,,In den beginne was het woord en het woord was bij God en het woord was God'') werd gestopt voordat de evangelist duidelijk maakt dat met `het woord' op Jezus wordt gedoeld. De verwijzing naar Jezus, als de opgestane Heer die de dood overwon, kwam eerst tot uitdrukking in het Oranje-lied bij uitstek, dat zowel bij de begrafenis van Wilhelmina als aan het slot van de dienst gisteren werd gezongen: A Toi la gloire, U zij de glorie, opgestane Heer. In dat lied viel de theologische terughoudendheid alsnog weg. Het hoge woord dat veertig jaar geleden nog gesproken werd, kon nu alleen gezongen worden.

Pagina 7: Uitvaartdienst wees Nederland de weg