Superallochtoon vol droefenis

Het overlijden van prins Claus heeft veel dichters geïnspireerd. Ook dichters die de prins niet kenden: `Ik wist het zeker. Dat Bernhard de man / van Beatrix was en Claus de oudste prins'.

In zijn anekdotische gedicht Claus schrijft de dichter-performer Bart Chabot: `om tien voor negen ging martins gsm / `o,' zei hij / en: `hmm' / toen klapte hij zijn mobieltje dicht / `claus is dood'. Afgelopen donderdag droeg Chabot een voor de televisie flink ingekorte versie van het gedicht `Claus' voor in het actualiteitenprogramma Netwerk, waarin naast Chabot ook de auteurs Hagar Peeters, Mustafa Stitou en Joost Zwagerman hun gelegenheidsgedichten over het overlijden van prins Claus voorlazen. Twee dagen ervoor stond in deze krant Bij de dood van een prins van Dichter des Vaderlands Gerrit Komrij, een schrijven dat hij die avond, vanuit een studio in Coimbra, ook nog voordroeg in het Journaal. Op de website van de Groningse `dichters uit Epibreren' staan inmiddels vijfentwintig poëmen ter nagedachtenis aan Claus. Dit alles wijst er op dat het overlijden van prins Claus indruk heeft gemaakt op veel (dichtende) Nederlanders.

Details over het leven van Claus von Amsberg, die na zijn tumultueuze entree in 1966 toch regelmatig van zich liet horen, lijken echter niet tot – met name de jongere generatie – te zijn doorgedrongen. Des te opvallender is het feit dat ze toch en masse aan het dichten sloegen. Ruben van Gogh (1967) wist tot het overlijden van Claus weinig van de prins, en constateert in zijn gedicht In memoriam: `toch droef // dat men dan eerst dood moet / om tot leven te komen'. De bekentenis die Maria Barnas (1973) doet in haar gedicht Bij de dood van twee prinsen, kan schokkend worden genoemd: `Ik wist het zeker. Dat Bernhard de man / van Beatrix was en Claus de oudste prins'. Uit Waarom je een mop nooit uit moet leggen van Ingmar Heytze (1970) blijkt hoe veel jongeren dachten en spraken over Claus: `De leukste grap over ons koningshuis / kan ook al niet meer: // waarom draagt Beatrix / altijd een bos bloemen? / – daarin verbergt ze / de afstandsbediening van Claus // te waar om leuk te zijn; / het lachen vergaat je / van schaamte // achteraf'.

De depressies van de prins – zijn donkere kijk op het leven – worden in veel gedichten genoemd en soms zelfs toegejuicht. `In Partycentrum Nederland was hij de man die dapper droevig is', stelt Joost Zwagerman in Het prinselijk gelijk. Daarom moet de prins gepast worden herdacht, met een lofzang op de droefenis, aldus Zwagerman: `Lang leve de duisternis, de wurggreep die depressie heet!' Huub Oosterhuis, die zijn gedicht eerder dit jaar al schreef, is implicieter: `terzij van fonkelende zonen neven / aangehaakte schonen / toont hij zijn wonden'.

Waar Chabot naar eigen zeggen bij het schrijven de gedachte `begin niet over de stropdas' als een doctrine beschouwde: wemelt het in de andere gedichten juist van de verwijzingen naar Claus' poging om te breken met het protocol. Ilja Leonard Pfeijffer spreekt van `willen en onontdasbaar belangrijk moeten zijn', Stitou van een `legendarische stropdasact' en Peeters voert de dood als personage `geharnast en gestropdast' op. In Pfeijffers passage `zo mooi triest met trillend bange blik / te staan genageld in wringend protocol' zou het `wringend protocol' goed kunnen verwijzen naar de das.

De mooiste omschrijving van Claus, of specifieker van het beeld dat de Nederlanders van de prins hebben, is afkomstig van Mustafa Stitou: `Geen mens is door U ooit ontvangen / met hoon: een soort halfgod was U, // Blijkt nu, een soort Superallochtoon.' Stitou lijkt zich te ergeren aan de eenzijdig positieve verhalen over Claus na zijn overlijden: `En terwijl Uw legendarische stropdasact / zich nestelt in het holst van het holle / Hollandse geheugen, ontpoppen ook zij // Die achter hun handen de spot met U dreven, / zich als grote bewonderaars van Uw werken / en Uw leven. Sinds U dood bent / hemelt Holland U op.'

Gerrit Komrij spuugt op de hypocriete houding van de Nederlanders ten opzichte van de gastprins: `Tranen zie ik? Valt van dit volk de rouwklacht / Nog te vertrouwen?' Hagar Peeters lijkt het met hem eens te zijn: `De rookbomwerper van eertijds legt nu een bloem.'

De meeste gedichten zijn terug te vinden via www.epibreren.com