Prins Claus

Reinildis van Ditzhuyzen trekt een vergelijking tussen de uitvaart van prins Claus en die van stadhouder Willem IV in 1752 (Achterpagina, 11 oktober). Tussen beide begrafenissen zijn nog meer overeenkomsten. In deze krant van 8 oktober stond dat kamers en zelfs ramen in Delft op de route van de rouwstoet voor veel geld worden verhuurd.

In een 18de-eeuwse Jiddische tekst valt te lezen dat zulke praktijken ook 250 jaar geleden al voorkwamen. De Amsterdammer Abraham Chaim Braatbard schreef in 1752 in zijn Jiddische kroniek, hier in het Nederlands vertaald: ,,Op 19 sjvat [4 februari 1752] werd Zijne Hoogheid begraven. Hij werd naar de stad Delft gebracht. In die tijd heerste grote schaarste in Den Haag. Dat wil zeggen, alles was te krijgen, maar men moest er wel voor betalen. Dat kwam doordat iedereen nieuwsgierig was om de begrafenis van Zijne Hoogheid te zien. [..] Omdat zo veel volk naar Den Haag kwam, was er aanvankelijk geen logement te krijgen. Wie wel een slaapplaats kreeg, moest voor een paar nachten twee of drie dukaten betalen. Langs de weg, waarover Zijne Hoogheid gebracht werd, moest iedereen zoveel geld betalen als bijna niet te geloven is. Een raam bracht in die tijd minstens honderd gulden huur op. Er waren hoge heren uit Amsterdam en andere plaatsen, die voor een kamer voor die ene dag, een huur betaalden van achthonderd gulden per gezelschap.''