Onderzoek naar kopen LPF-zetel

Op verzoek van het presidium van de Tweede Kamer is het parket Den Haag een onderzoek begonnen naar de vraag of het Tweede-Kamerlid Theo de Graaf (LPF) zich met betrekking tot zijn Kamerzetel schuldig heeft gemaakt aan een gift of de belofte daartoe. Dit melden bronnen.

In verband met de begrafenis van prins Claus vandaag wil het presidium van de Tweede Kamer pas morgen mededeling doen van de ondernomen stappen. De LPF'er De Graaf zou mogelijk in strijd hebben gehandeld met de eed of belofte voor aantredende Kamerleden, door aan de LPF een gift voor de partijkas te hebben toegezegd, in ruil voor een plaats op de kandidatenlijst.

Op 23 mei heeft De Graaf de eed (of belofte) als Tweede-Kamerlid afgelegd. Daarin staat onder andere: ,,Ik verklaar dat ik, om tot lid van de Staten-Generaal te worden benoemd, rechtstreeks noch middelijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd''. Wanneer van (de belofte van) een gift sprake zou zijn geweest, heeft het Kamerlid gehandeld tegen artikel 207, lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, dat het opzettelijk afleggen van een valse verklaring onder ede verbiedt. In dat geval is mogelijk sprake van een ambtsmisdrijf, omdat Kamerleden voor het Wetboek van Strafrecht als ambtenaren gelden. Artikel 119 van de Grondwet bepaalt dat leden van de Staten-Generaal, ook na hun aftreden, hiervoor terecht staan voor de Hoge Raad. Opdracht tot vervolging kan worden gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

Overigens is op 27 juli in deze krant geciteerd uit een `sollicitatiebrief' van Theo de Graaf bij de LPF, gedateerd 1 maart 2002. Daarin stond: ,,Wat ik wil is het volgende: een flink bedrag doneren en plaats nemen voor onze partij in de Tweede Kamer''.

In het artikel verklaarde LPF-bestuurder Langendam De Graaf te hebben geadviseerd van de gift van 35.000 euro af te zien, omdat dat de indruk zou wekken dat De Graaf een Kamerzetel wilde `kopen'.