Leerling moet op school nog wel wat leren

In zijn essay 'Alles van waarde moet zich verweren' stelt Paul Scheffer dat het nodig is om te komen tot een heroverweging van het onderwijsbeleid die eindelijk eens niet over de vorm, maar over de inhoud gaat (NRC Handelsblad, 21 september). Hij is niet de enige die bezorgd is over het verdwijnen van de inhoud ten gunste van de vorm. Zo schreef Beatrijs Ritsema eerder in deze krant: ,,Langzaam verdwijnt de inhoudelijkheid uit het toekomstbeeld van jongeren en trouwens ook uit het onderwijs.'' Het onderwijsveld houdt zich echter bezig met `concretere' problemen, zoals het lerarentekort, en antwoordt met stilzwijgen. Op scholen is het debat over inhoud verstomd.

Canonieke kennisoverdracht is onder zware druk komen te staan. Het onderwijs heeft zich aangepast, maar vergat stil te staan bij de consequenties. Zo is bijvoorbeeld het vak Nederlands in de onderbouw allang geen doel op zichzelf meer, het is bovenal een hulpvak geworden voor andere vakken. Ook die hebben overigens op hun beurt vakinhoud ingewisseld voor algemenere vaardigheden. Bij Nederlands is ook in de bovenbouw op kennisoverdracht beknibbeld. Zo hoeft een leerling nauwelijks meer kennis te hebben van de literatuurgeschiedenis. Het aantal boeken dat de leerling nog moet lezen is gereduceerd van 25 tot 12 (vwo) of 8 (havo).

Wel moet die leerling meer dan voorheen zijn eigen mening kunnen formuleren en beargumenteren. Het is echter een misvatting te denken dat de mening van iemand die nauwelijks kennis van zaken heeft opgedaan, enige relevantie heeft. Een lege koe kun je niet melken. Ik werd vorig jaar treurig van de mondelinge examens literatuur die ik heb bijgewoond. Door primair uit te gaan van de belevingswereld van de leerling, doe je niet alleen de boeken waar een kandidaat over praat tekort, je doet ook de communicatie tussen leerling en docent tekort.

Een goed gesprek moet aan een aantal basisvoorwaarden voldoen. Kennis is een niet onbelangrijke daarvan. Een leerling is er niet bij gebaat dat hij altijd en overal zijn mening kwijt kan, een leerling is erbij gebaat dat hij serieus wordt genomen. Steeds vaker moet de leerling in ons onderwijs zijn mening geven, en steeds minder doet die mening ertoe. Het is een van de paradoxen waar het onderwijs op dit moment in verstrikt zit.

Een tweede paradox is dat ook het aanleren van algemene vaardigheden, die zelfstandig werken mogelijk moeten maken, niet geholpen is bij de recente vernieuwingen zoals de Basisvorming en de Tweede Fase. Toch waren die juist ingevoerd om ruimte te scheppen voor zelfstandigheid. Algemene studievaardigheden kunnen echter niet zonder een krachtige inhoud waarop leerling en docent zich kunnen richten. Het werkwoord leren is transitief, het kan niet zonder een lijdend voorwerp. Je leert altijd iets. En nu dat iets secundair en zelfs willekeurig is geworden, is het leren zelf opeens minder spannend en betekenisvol.

De school moet een plek blijven waar de leerling wordt ingeleid in wat hem nog te boven gaat. Maar steeds vaker wordt deze visie aanmatigend, arrogant gevonden. Wat voorheen de leerling vrijmaakte, wordt nu door de jongeren en door de openbare mening ervaren als een steeds onduldbaarder onderwerping. ,,Onderwijs geven houdt in dat er een band gesmeed wordt tussen de levenden en de doden. Het gaat erom het stokje door te geven. En het resultaat staat niet bij voorbaat vast: het kan zijn dat de band niet tot stand komt of dat hij breekt; het stokje kan op de grond vallen'', schrijft de Franse filosoof Finkielkraut. Dat is wat de columnisten bezorgd constateren: dat het stokje is gevallen, of ons uit handen dreigt te glippen.

Hoe nu verder? De recente vernieuwingen hoeven niet teruggedraaid. Het aanleren van zelfstandigheid moet wel degelijk worden bevorderd. Er hoeft geen tegenstelling te zijn tussen vaardighedenonderwijs, het aanleren van zelfstandigheid en sterk inhoudelijk onderwijs. Integendeel, ze kunnen elkaar versterken. Wel moet er duidelijkheid komen. Bijvoorbeeld over de vraag hoe zelfstandigheid en cultuuroverdracht zich tot elkaar verhouden. En over de vraag welke kennis wij essentieel vinden om over te dragen. Dat zijn lastige vragen. Maar we zullen er meer helderheid over moeten krijgen, om daarna van leerlingen te kunnen verlangen dat ze zich die kennis eigen maken. Niet omdat zij dat leuk vinden, maar omdat wij inhoudelijke doelen hebben. Helderheid zorgt voor opluchting, bij docenten én bij leerlingen.

We moeten het debat dus opnieuw aangaan. Want in het denken over onderwijs dient de inhoud altijd een belangrijke plaats te hebben. Inhoudelijke bevlogenheid levert energie op, het behoort tot het beste wat we te bieden hebben. Als we willen dat meer jongeren op inhoudelijke gronden kiezen voor een carrière in het onderwijs, dan zullen we daar op school zelf aan moeten werken.

Drs. J. Steenbakkers is docent Nederlands aan het Lutgercollege in Doetinchem.

    • Jeroen Steenbakkers