Chagall schildert tussen anekdote en droom

De grote wandschilderingen die Marc Chagall net na de Russische revolutie maakte voor het Jiddische Theater in Moskou, en die nu in het Joods Historisch Museum tentoongesteld zijn, staan vol vreemde muzikanten en clowneske figuren. Ze voeren je in één klap een wereld binnen die barst van de joodse humor. De levensgrote scènes zijn bizar, maar tegelijkertijd houden ze afstand, een afstand die hoort bij monumentale kunst.

Chagall maakte deze voorstellingen in 1920 nadat hij in Parijs al kennis had gemaakt met het modernisme. Vooral in het bijna acht meter lange doek met de titel Inleiding tot het Joods Theater is het kubisme dan ook duidelijk aanwezig, al worden ze sterk gerelativeerd door allerlei Russisch-joodse elementen. In een groene cirkel staat een muzikant in rokkostuum die met de strijkstok in de verkeerde hand zijn viool in stukken zaagt. Zijn met belletjes bekroonde hoofd zweeft een eindje verder in de lucht, net buiten de groene zone, in een tweede cirkel. Daar staat ook de rest van het orkest, een cimbaalspeler en een klarinettist, die beiden verschillende ledematen missen. Een danser in een helderblauwe kiel zwiept zijn benen als een W in de lucht. Alleen de witte geit die hij bij een voorpoot vasthoudt kijkt stoïcijns voor zich uit.

De beelden zijn naïef-expressionistisch en surrealistisch tegelijk, ze houden het midden tussen anekdote en droom. Ze zijn afstandelijk en akelig dichtbij voor wie naar de details kijkt. En dat laatste wordt op deze tentoonstelling sterk aangemoedigd omdat het museum kaarten verstrekt waarop de iconografie tot in de kleinste onderdelen verklaard wordt. In de meeste gevallen is dat leuk, want het is bijvoorbeeld aardig om te weten dat de figuur met de krullenbos in een roestbruin pak Chagall zelf is en dat hij, met zijn palet in de hand, het theater wordt binnengedragen door de artistiek leider en dat de figuur die toekijkt de vernieuwende regisseur Alexander Granovski is. Zeker is het ook interessant om te zien hoezeer Chagall steeds verwijzingen naar joodse cultuur en Europese invloeden tegen elkaar afzet en in elkaar laat overlopen.

Maar artistiek gezien gaat de verklaring van de symboliek soms echter toch wat ver. Het is natuurlijk bekend dat Chagall in conflict was gekomen met de suprematist Malevitsj en dat hij het betreurde dat zijn oude vriend El Lissitsky diens abstracte pad ging volgen. In De Muziek, een van de andere theaterontwerpen die nu in Amsterdam hangen, voert Chagall dan ook een (net niet helemaal precies) vierkant zwart vlak op en laat hij de boer Malevitsj zijn viool als knuppel gebruiken. Dat klopt allemaal wel. Maar zou een andere boer, rechtsonder op De Inleiding, die traditioneel gekleed is (maar een broek draagt in assymetrische moderne motieven) en die erg expressief op een varken staat te plassen, nou werkelijk een directe verwijzing zijn naar Chagalls afkeer van de Russische abstracte schilders van zijn tijd? De conservatoren van de Moskouse Tretyakov Galerij, waar deze theaterbeelden worden bewaard, geloven in ieder geval van wel.

De geschiedenis van Chagalls ontwerpen is, het kan bijna niet anders, enigszins navrant. Ze zijn gemaakt in de korte bloeiperiode van joodse cultuur en artistieke vrijheid in Rusland, net na de Revolutie.Tegen het eind van de jaren dertig moesten ze natuurlijk verdwijnen en uiteindelijk zijn ze bewaard in de depots van de Tretyakov Galerij. Chagall zelf was toen allang weer naar Parijs vertrokken. Pas in de periode van glasnost, eind jaren tachtig, werden de doeken weer tevoorschijn gehaald, ironisch genoeg wel nadat de inmiddels wereldberoemde Chagall ze bij een bezoek aan zijn geboorteland in 1973 tussendoor even had mogen signeren: zonder publiek en onder toezicht van de KGB, zoals blijkt uit een bewaard gebleven foto. Dat de schilder dat, in Russische letters, onder meer deed recht onder de pissende boer geeft te denken.

Op een tweede tentoonstelling in Amsterdam, in het Bijbels Museum, is een meer consequente kant van Chagall te zien. Op deze aardige, strakke presentatie hangen lange rijen met kleine, intrigerende ontwerpen voor de glas-in-loodramen die de schilder in 1959 maakte voor de synagoge in het Hadassahziekenhuis in Jeruzalem. Stap voor stap karakteriseerde Chagall hier zeer bijbelvast de verschillende stammen van Israël, eerst in zwart-wit, dan in kleur, dan als kleine collages met behulp van vrolijk gekleurde lapjes en papiertjes. Hier was een schilder aan het werk die op hoge leeftijd nog wist hoe hij op theatrale wijze een publiek kon overtuigen.

Tentoonstellingen: Marc Chagall. Het Joods Theater, t/m 12/1. Joods Historisch Museum, J.D. Meyerplein 2-4, Amsterdam, 020-626 9945.

Chagall: Ramen voor Jeruzalem, t/m 12/1. Bijbels Museum, Herengracht 366, Amsterdam, 020-624 2436.