Botswana schittert door `kleine stenen'

Botswana leidt de elitegroep van diamantproducerende naties in de wereld. Dankzij de edelstenen is het land welvarend. Met `bloeddiamanten' zou het zich niet ingelaten hebben. ,,Dat is helaas afgelopen.''

Een savanne in Botswana. Een boom, een struik, keihard helmgras op de rode aarde. In de verte een termietenheuvel. Reusachtig groot. Maar het blijkt in de lome hitte gezichtsbedrog. De mens heeft daar in het Afrikaanse landschap ingegrepen. Het zijn de contouren van een diamantmijn. Botswana is de nummer 1 op de ranglijst van producenten van sierdiamanten, bijna een derde van de wereldproductie komt er vandaan.

Jwaneng – `Plaats van kleine stenen' in het tswana, de lokale taal – is de grootste diamantmijn ter wereld. Het is een open `pit', een gapend gat met een doorsnee van tweeëneenhalve kilometer. ,,Wij laten Botswana schitteren'', zegt manager Jeremy Taylor.

Twintig jaar geleden werden hier diamanten ontdekt. De vondst was te danken aan de termieten, een soort kakkerlakken, die met hun vlijtige gewroet de donkerrode delfstof granaat omhoog woelden. Onder geologen is bekend dat zich in de buurt van granaat diamant kan bevinden, en dat bleek hier inderdaad het geval. Inmiddels is de mijn al 260 meter diep.

Verharde paden leiden als een spiraal naar beneden. Jeremy Taylor schat dat het gat uiteindelijk een diepte van 700 meter zal bereiken. Alles in Jwaneng heeft mega-afmetingen. Mijnwerkers in blauwe overalls poseren voor hun truck van twaalf meter hoog. Een bestuurder komt met zijn hoofd net tot de middenas van de band. De mannen zijn goed geluimd. Waarom ook niet, een open mijn is een pretje vergeleken met ondergrondse mijnen. En eigenaar Debswana, een 50/50-joint venture van het Zuid-Afrikaanse De Beers en de Botswaanse staat, zorgt goed voor zijn mensen. Een ervaren arbeider krijgt er 7.000 pula, dat is meer dan 1.000 euro per maand. Geen beter beroep in Botswana dan dat van mijnwerker.

Vanuit Jwaneng en de twee andere mijnen in Botswana: Orapa en Letlhakane, gaat het vervoer van de ruwe diamanten per militair transport naar de hoofdstad Gaborone, waar ze bij het sorteerhuis Botswana Diamond Valuing Company (BDVC) op waarde worden geschat en verzonden naar het buitenland.

De BDVC is een blinkend gebouw, downtown Gaborone. Op lange werktafels liggen hoopjes diamanten. Kiezels lijken het wel, nu ze nog ongepolijst zijn. Elders, onder de hand van slijpers, zullen ze veranderen in fonkelende sieraden.

De maatregelen om diefstal te voorkomen zijn extreem. Werknemers dragen speciale kledij, zonder zakken, en gaan via een reeks detectiepoortjes naar binnen. Het contingent diamanten dat 's ochtends binnenkomt wordt gewogen en aan het eind van de werkdag weer. Het gewicht moet tot op de honderdste gram overeenkomen, zo niet: dan verlaat niemand het gebouw en zoekt men net zo lang tot het laatste steentje is gevonden. Op diefstal staat ontslag op staande voet.

Het sorteerhuis is voor de meeste diamanten in Botswana het laatste station in eigen land. Na de waardebepaling worden de ruwe diamanten verpakt en verstuurd naar de Diamond Trading Company in Londen, het overkoepelende orgaan van het Zuid-Afrikaanse De Beers, dat naar schatting 60 procent van alle diamanten ter wereld verhandelt aan slijperijen. Het slijpen gebeurt in Antwerpen, Tel Aviv, Bombay en, sinds een aantal jaren in Chinese steden. ,,Je moet realistisch zijn'', zegt Athol Methven, diamant-controleur bij BDVC, ,,elders kunnen ze het slijpen beter en goedkoper.''

Botswana wil elke schijn vermijden dat het iets met `bloeddiamanten' te maken heeft. Dat moge waar zijn – het land zelf kent sinds zijn onafhankelijkheid van Groot-Brittannië in 1966 vrede en democratie – maar via De Beers zouden tot voor kort op Botswaans grondgebied wel degelijk besmette diamanten zijn verwerkt, onder andere via de Diamond Manufacturing Botswana, een slijperij in Belgisch eigendom.

Manager Marc Van den Brande van Diamond Manufacturing Botswana zegt dat het hem niet uitmaakt waar zijn diamanten vandaan komen, als ze maar geld opbrengen. Hij betrok dan ook jarenlang van of namens De Beers `bloeddiamanten', waarmee vuile oorlogen in Afrika zijn gefinancieerd. ,,Dat is helaas afgelopen, we krijgen die diamanten niet meer. Het scheelt ons 20 procent in omzet.'' Maar volgens hem koopt De Beers voor andere slijperijen nog wel `bloeddiamanten' – in Democratisch Congo. De Beers heeft dit altijd ontkend.

Uitgezonderd de kleine slijperijen is de hele diamantketen, van de mijnen tot de sorteercentra, in handen van Debswana. En Debswana – waarde van de productie in 2001: 2,2 miljard dollar – is de belangrijkste inkomstenbron voor Botswana, goed voor 80 procent van de inkomende buitenlandse deviezen. Dat komt neer op een potentieel gevaarlijke monocultuur, maar door de waardevastheid van diamanten maakt Botswana zich geen zorgen. Het land heeft bewezen voorraden voor tientallen jaren; geologen vermoeden onder het zand van de Kalahari meer vindplaatsen.

Aan Botswana – net iets groter dan Frankrijk, maar met slechts 1,7 miljoen inwoners – valt de diamantenwelvaart af te zien. Een prima wegenstelsel, luxe winkelcentra, nieuwe kantoorgebouwen en ministeries. De inwoners zijn moderne burgers die, niet geplaagd door armoede en slecht onderwijs, een betrekkelijk hoge levenstandaard kennen.

De werknemers van Debswana zitten helemaal op rozen. Het bedrijf heeft eigen, uitstekend uitgeruste scholen. Zo beschikt de Acacia-basisschool van Jwaneng over een zwembad, sportvelden, tennisbanen, een technisch laboratorium, een computerwerkplaats en een grote bibliotheek. Alles in topconditie.

Begin dit jaar ging een groep kinderen met de school op skivakantie in Europa. Op het prikbord in de gang hangen de foto's. Het is weer eens een ander beeld van het continent: rijke Afrikanen spelend in de Zwitserse sneeuw.