Staatsbegrafenis

De goedkoopste crematie in India kost een paar honderd rupees (honderd rupee is ongeveer twee euro), maar dan gaat het om een elektrische staatsoven, die door stroomstoringen niet altijd op temperatuur is. Bovendien weet je nooit zeker of de as die je meekrijgt om in een rivier uit te strooien wel van jouw dierbare is, dan wel van een willekeurige overledene.

Op het platteland zijn geen staatsovens. Daar cremeren ze op de duizenden jaren oude manier: de houten brandstapel. Indiërs vinden dat ook het mooist en dat is een van de vele dingen die ik nooit zal begrijpen. Het is wettelijk verboden een crematie op foto of film vast te leggen. Waarom niet, als het zoiets moois is.

Toeristen vinden de Indiase manier om met de doden om te gaan erg spectaculair en sommigen maken er een sport van om het ritueel toch te fotograferen. Ze reizen er helemaal naar Varanasi voor, het vroegere Benares. Men zegt dat boven Benares een gat in de hemel is, waardoor de ziel naar buiten kruipt en zich bij de Goden voegt. De stad ligt ook nog aan de Ganges, de heiligste van de heilige rivieren: als je as daarin gestrooid wordt, ben je als dode het gelukkigst.

De plekken langs de oever van de rivier waar de verbrandingen plaatsvinden heten `Ghats' en elke Ghat heeft een beheerder. Die gaat over de prijzen van het hout: er zijn keurig op maat gesneden latjes die goed droog zijn, en snel en goed branden. Die zijn het duurst. Dan heb je gewone takken voor een lagere prijs en ten slotte is er voor de armsten het gebruikte hout: halfverkoolde resten van een eerdere verbranding.

Er heerst altijd grote drukte bij de Ghats, met kinderen die in het water poedelen, vrouwen die kleren wassen en de lijken die maar blijven komen. Elke paar minuten komt een stoet van mannen met een lichaam dat rijkelijk versierd is met zilverpapier, oranje lappen en heel veel bloemen. Ze hebben soms een afstand van wel twintig tot dertig kilometer afgelegd, te voet, en steeds een gebed zeggend: `Ram Naam Satya Hai'.

Bij aankomst op de Ghat wordt het lijk ergens op de grond gelegd en beginnen de onderhandelingen. Ze schrikken meestal behoorlijk van de prijzen. In groepjes gehurkte mannen die allemaal wat rupees uit hun zak halen, op een hoop gooien en beginnen te tellen. Als ze niet eens over het bedrag van het goedkoopste, gebruikte hout komen, zijn ze aangewezen op de elektrische oven. Dat is een teleurstelling, omdat ze de verwanten in hun dorp een echte crematie hadden beloofd.

Als er wel geld is voor hout wordt het lijk eerst in het water van de rivier gewassen. Of beter: besprenkeld. Dat kan vlak naast de vrouw die kleren wast gebeuren, of waar de kleintjes poedelen. Er wordt gebeden en het lichaam wordt boven op een kleine brandstapel gelegd. De plaats van de brandstapel ligt vast: mensen van de hoogste kaste komen op een hoog plateau, mensen van lagere kasten steeds lager.

Het vuur wordt aangestoken door de oudste zoon van de familie en vervolgens aangewakkerd door de jongens die bij de Ghat werken. Jongens van veertien en vijftien, die het hout sjouwen, de stapeltjes maken, en lachend en stoeiend maar bijzonder behendig het lijk verbranden. De behendigheid zit hem in de snelheid waarmee het lichaam tot as is vergaan. Dan gaan de familieleden namelijk weg en doof je snel het vuur, om meer `tweedehands' hout over te houden voor de verkoop.

De beheerder van de Ghat waar ik ben heet Sudha, een pezige man van in de dertig, donker van kleur en voor alles te vinden, als er geld aan kan worden verdiend. Hij vertelt over de blanke toeristen die hij in het tempeltje naast de Ghat smokkelt, vanwaar ze foto's kunnen maken. Hij heeft ook een bootje waar hij toeristen mee uit varen neemt, zodat ze ook van de andere kant kiekjes kunnen maken.

De rivier stroomt sloom langs de stenen trappen en op een van de treden zit een man met voor zich iets wat lijkt op een katoenen bundel. Alleen de langwerpigheid van de bundel doet vermoeden dat het om een lichaam gaat. Wat hij daar doet? Sudha kan het uitleggen: dat is waarschijnlijk zijn zoontje, dat zo jong gestorven is dat hij niet hoeft te worden verbrand. Jonge kinderen zijn onschuldig en hoeven niet door het vuur te worden verlost. Zijn lichaam mag zo het water in.

Waarop de man die daar zo eenzaam zit dan wacht? Volgens Sudha is hij aan het onderhandelen. Denk niet dat het gratis is, niets in het leven is gratis, filosofeert Sudha. Er moet een steen worden gekocht om het lijk te verzwaren en een bootje gehuurd om naar het midden van de rivier te gaan. Het tarief voor het bootje verschilt naar het tijdstip waarop je het wilt. Om twaalf uur is het goedkoop, hoe dichter je bij zonsondergang komt hoe duurder. Precies bij zonsondergang is het mooiste moment, maar Sudha kan niet uitleggen waarom. Dat moet ik aan een priester vragen.

Na ongeveer een uur komt een man aangelopen met de steen, een ovaalvormig stuk marmer, dat bij het voeteneind wordt gebonden zodat, vertelt Sudha, het lijk niet met het hoofd het water in gaat. Op zoveel details wordt gelet, alles is zo geritualiseerd, dat het allemaal niet respectloos meer lijkt. Het is niet respectloos en toch word je er wanhopig van.

Rond vier uur wordt een bootje bij de man aangelegd, niet het duurste en niet op het goedkoopste tijdstip. De roeier is een kind, dat niet veel ouder kan zijn dan het lijkje dat door de vader in de boot gedragen wordt. De jongen roeit naar het midden van de rivier. Sudha vraagt of ik een verrekijker bij hem wil huren, maar zo goed hoef ik het allemaal niet te zien.

ramdas@nrc.nl

    • Anil Ramdas