Ook het Eiland der Goden heeft zijn onschuld verloren

Bali is het Torremolinos van Zuidoost-Azië, tot voor de explosies een aantrekkelijk lustoord voor toeristen en expats.

De bommenleggers hadden Indonesië niet harder kunnen raken. De klap is ongekend, niet alleen door de omvang van het menselijke leed en de verwoesting, maar ook door de keuze van het doelwit. Bali, het Eiland der Goden, gold tot nu toe als een vrijplaats. De chaos, het geweld en de economische malaise die Indonesië troffen sinds het in 1998 met pijn en moeite de weg naar de democratie insloeg, gingen voorbij aan deze hindoe-enclave in de merendeels islamitische archipelstaat.

Ruim 85 procent van de Balinezen belijdt een plaatselijke variant van het hindoeïsme. Aan het begin van de Europese Middeleeuwen brachten handelaren de Veda's, een verzameling gebeden, sacrale liederen en andere godsdienstige teksten, vanuit India naar de Indonesische archipel, waar de hindoeleer ontkiemde in de vruchtbare bodem van het inheemse geestengeloof. Nog maar vijfhonderd jaar geleden oogde Java zoals Bali nu: tempels en rijstvelden. Sinds de 14de eeuw deed de islam, eveneens via handelskanalen, vanuit het westen zijn intrede in `Indonesië'. De nieuwe religie rukte op en rond 1500 stortte het laatste hindoerijk op Oost-Java ineen. De overlevenden van de oude orde namen hun toevlucht op Bali, waar de islam nooit wortel heeft geschoten, en vormden er een kastensamenleving.

Een vrome hindoe uit de heilige stad Benares zou de Balinezen als wilden beschouwen. Hoewel de oude heldenverhalen uit India alom bekend zijn en de thema's leveren voor de traditionele dansen, hebben de Balinezen niet veel op met de godheden van het hindoe-pantheon, zoals Vishnu, Shiva en Brahma. Die zijn hun veel te afstandelijk en aristocratisch. Zij noemen hun geloof Agama Tirtal, de Dienst van het Heilige Water, een aan animisme grenzende verering van natuurkrachten.

De Balinezen zijn geobsedeerd door ceremonieel, dat nog steeds een groot deel van hun dagen vult. De minutieus in ere gehouden processies, bloemenoffers en tempeldiensten fascineerden sinds de jaren dertig westerse reizigers en kunstenaars en vormen tot de dag vandaag de grootste trekpleister voor het massatoerisme naar het eiland. In de drukke straten van Kuta, het Torremolinos van Zuidoost-Azië, liggen op de trottoirs dagelijks minuscule mandjes met gedroogde bloemen, offerandes aan het water in de goot. De Balinezen bleken een fijne neus te hebben voor de aantrekkingskracht van hun tradities en sinds de opmars van buitenlandse tour-operators en Javaans-Chinese beleggers in onroerend goed, verdelen zij hun tijd niet langer tussen landbouw en ceremonies, maar tussen ceremonies en zakendoen.

Niet alleen toeristen, maar ook in Indonesië werkzame `expats' beschouwen Bali als een aanlokkelijk reisdoel. In de weekeinden ontvluchten zij de door auto's en demonstraties verstopte straten, en het op gezette tijden door zedeprekende moslimradicalen overvallen nachtleven van Jakarta, om zich met een bloem achter het oor en in kleurige sarongs te laven aan de door de commercie verwaterde Balinese cultuur. Op Bali bleven, ondanks de crisis, nieuwe luxe hotels verrijzen en het vrome reveil der Indonesische moslims ging voorbij aan deze hindoeïstische Hof van Eden.

Sinds de explosies van zaterdagnacht is ook dit paradijs verloren. Duizenden vakantiegangers hebben het eiland gisteren in paniek verlaten en de Indonesische economie dreigt zijn laatste toeristische deviezenfuik voor jaren kwijt te raken.

    • Dirk Vlasblom