`Niet praten jullie, voetballen!'

Jeugdsport en `fair play' hoe werkt dat in de praktijk? Op bezoek bij de Rotterdamse voetbalclub DRL. ,,Op hun vijftiende, zestiende kan je ze niet meer opvoeden.''

Het is nog geen half tien als Richard Ronteltap (35) voor de eerste keer die dag zijn stem verheft. ,,Jongens, niet hier vlak voor de kantine voetballen! Wegwezen!'' Gedwee druipen de jeugdige `zondaars' af. Ronteltap, grijnzend: ,,Je moet ze aanspreken op hun gedrag. Doe je dat niet, dan is het einde zoek.''

Daar weet de algemeen secretaris van voetbalclub De Rotterdamse Leeuw (DRL) alles van. Bij gebrek aan wat Ronteltap ,,heldere en duidelijke gedragsregels'' noemt, verging het de 770 leden tellende van wie ruim de helft (390) jonger dan negentien jaar vereniging uit de Rotterdamse deelgemeente IJsselmonde van kwaad tot erger. ,,Alle problemen van thuis, van school, van straat kwamen hier in het weekeinde geregeld tot ontlading: vechtpartijen, vernielingen, noem maar op. En het erge was: niemand die er wat van zei, uit angst maar vaak ook uit pure desinteresse.''

Vijf jaar geleden ging het roer om aan de Spinozaweg 498. Vooruitlopend op een vergelijkbaar initiatief van de Nederlandse voetbalbond, onder de noemer `Fluit geweld terug!', besloot het bestuur van `de gezelligste club van Rotterdam-Zuid' tot de opzet van een eigen zogeheten Fair-Playcompetitie. In een poging de club ,,weer een beetje leefbaar en gezellig te maken'', zegt `clubman' Ronteltap, al sinds zijn zesde verbonden aan DRL.

Alle 27 jeugdelftallen (tot en met achttien jaar) doen mee aan de `goed gedrag'-competitie. Punten verdienen de deelnemende teams door zich elke week van hun beste kant te laten zien. ,,Respect tonen voor scheidsrechter, medespeler en tegenstander, zowel vóór, tijdens als na de wedstrijd'', zo vat Ronteltap de hoofdlijnen samen. ,,Hele basale dingen, waarvan het eigenlijk te gek voor woorden is dat wij daar zo op moeten hameren, maar dat is vandaag de dag helaas de realiteit. Maar goed, ook wij staan middenin de maatschappij en lopen niet weg voor onze verantwoordelijkheden.''

Voor de winnaar van de Fair Play Cup wacht aan het einde van het seizoen een wisselbokaal en een uitje op kosten van de club, wiens achterban vooral uit de `probleemwijken' Vreewijk en Lombardijen afkomstig is. Ronteltap: ,,Het is een aardigheidje, een middagje-Feyenoord of de pannenkoekenboot, dat werk. Maar die kinderen vinden het prachtig, die onderlinge competitie.''

Elk uitspelend elftal krijgt een formulier mee, waarop de scheidsrechter van de ontvangende club op basis van vijf beweringen kan aangeven hoe de DRL-spelers en niet onbelangrijk hun ouders zich hebben gedragen. De vijf stellingen lopen uiteen van `De leider/trainer/aanvoerder van DRL was een voorbeeld voor zijn spelers' tot `De toeschouwers van DRL hebben zich sportief gedragen. Er is geen onvertogen woord gevallen richting scheidsrechter, tegenstanders of andere toeschouwers'. Onderaan het formulier kan de leidsman eventuele dissonanten met naam en toenaam vermelden, alsmede het vergrijp. Op het eigen terrein aan de Spinozaweg zien het bestuur en de vrijwilligers erop toe dat de fatsoensnormen worden nageleefd.

Recidivisten worden intern ter verantwoording geroepen. Ronteltap: ,,We bellen eerst nog even met die scheidsrechter om na te gaan wat er precies is gebeurd. Vervolgens roepen we de betreffende persoon op het matje. Al naar gelang de ernst van het vergrijp volgt dan een sanctie.'' Die varieert van ,,het opdraven voor hele vervelende klusjes op de vroege zaterdagmorgen'' tot het ultieme machtsmiddel: royement. Dat gebeurde twee jaar geleden nog, nadat ,,een aantal heren het nodig vond om elkaar in de kleedkamer met messen te lijf te gaan''.

Jeugdvoorzitter Gerard van Rosengarten spreekt van ,,een groot succes'', maar herinnert zich ook nog de scepsis bij de start van het beschavingsoffensief. Glimlachend: ,,Ouders laten zich niet zo makkelijk de wet voorschrijven. Zodra het hun eigen zoon of dochter betreft, menen ze tijdens een wedstrijd van alles en nog wat te kunnen roepen. Als iemand van hun eigen cluppie vervolgens vraagt of het wat minder kan, en zo niet dan kunnen ze maar beter vertrekken, ja, dan willen sommigen nog wel eens uit hun slof schieten. Dat is gebeurd, zeker in het begin, en heeft ons dan ook een aantal leden gekost.''

Maar die prijs zegt het DRL-bestuur graag te willen betalen. ,,Zodoende zijn we langzaam maar zeker de rotte appels kwijt geraakt'', zegt Van Rosengarten. Met alle positieve gevolgen vandien. ,,Die uitval weegt niet op tegen de aanwas van nieuwe leden. Want juist door die sociale controle is DRL momenteel een van de snelstgroeiende clubs uit de regio. Bovendien kost het ons tegenwoordig minder moeite om vrijwilligers te vinden dan voorheen. En ook dat is geen toeval.''

Koos van Welsum is elftalbegeleider van de D-jeugd (10-12 jaar) en kan de woorden van Van Rosengarten slechts beamen. Hij weet het zeker: ,,Als DRL niks had gedaan, dan was het hier net zo'n losgeslagen zooitje geworden als bij veel andere voetbalclubs uit deze regio. Het is niet leuk om te zeggen, maar veel van die allochtone jongens verziekten de sfeer. Het was kut-dit en kut-dat, met als gevolg dat vrijwel iedereen jong en oud liep te vloeken en te schelden. Die agressieve houding zag je terug in het veld.''

Vijf jaar later valt zo nu en dan nog wel eens een wanklank, zegt Van Welsum. ,,Toch signaleer ik een mentaliteitsverandering. Tegenwoordig gaan ze na afloop onder de douche en bellen ze keurig af zodra ze verhinderd zijn. Dat zijn kleine dingen, maar daar begint het wel mee.''

Jong geleerd is oud gedaan, oordeelt ook Van Rosengarten, die erkent dat DRL niet alleen uit nobele motieven handelt. ,,Ons jeugdplan hebben we twee jaar terug herschreven. Daarin hebben we heel nadrukkelijk de fair play ook benoemd als een middel om spelers langer vast te houden. Wij hebben niet het geld en ook niet de intentie om ons eerste elftal te betalen. Wij moeten het van eigen talentvolle kweek hebben. Die jongens blijven alleen als de sfeer op de club daar ook naar is. Zo niet, dan zijn ze weg. Vandaar dat we niet vroeg genoeg kunnen beginnen met het creëren van een positieve stemming. Bovendien: op hun vijftiende, zestiende kan je ze niet meer opvoeden.''

Drie jaar geleden besloot het bestuur de teugels verder aan te halen, nadat een als vriendschappelijk bedoelde wedstrijd tegen stadgenoot EDS ontaardde in een massale kloppartij. ,,Onze spelers hebben op de rijksweg voor hun leven moeten lopen'', zegt voorzitter Jaap van der Linden. Het incident was aanleiding voor het opstellen van een DRL-gedragscode. Daarin valt onder meer te lezen dat trainers de arbiter in bescherming dienen te nemen zodra die in het nauw wordt gedreven. Spelers en ouders op hun beurt moeten zich onthouden van `onwelvoeglijke taal' en `enige reactie [..] op de leiding [..] en het gedrag van tegenstanders'. Van der Linden: ,,Wij zijn geen pedagogische instelling, maar wie zich niet kan vinden in die gedragscode, heeft niets te zoeken bij DRL.''

Toch blijft het, alle goede bedoelingen ten spijt, enigszins dweilen met de kraan open, erkent Van der Linden, in het dagelijks leven werkzaam als rechercheur bij de regiopolitie Rijnmond. ,,Als wij vandaag iemand royeren, kan die morgen lid worden van een andere club. Het ontbreekt aan samenwerking. Zowel tussen de clubs onderling als tussen de clubs en de gemeente, de deelgemeente en andere sociaal-maatschappelijke instanties. Voetbal is een uitermate geschikt én goedkoop maatschappelijk bindmiddel, maar dan moet je wel bereid zijn om met z'n allen een paar stappen verder te gaan dan alleen maar afspraken maken.''

Afspraken maken is Richard Ronteltap wel toevertrouwd, want ook in zijn rol als scheidsrechter schroomt het bestuurslid niet om op te treden tegen verbale uitspattingen. ,,Wat heb ik jou daarstraks gezegd?'', vraagt hij in de rust van DRL D3-DOTO D1 (1-7) aan een DRL-spelertje. ,,Dat ik het voetballend moet oplossen, en niet pratend'', luidt het bedeesde antwoord. Ronteltap: ,,Precies! Want dat heb jij niet nodig. En dus wat doe jij voortaan?'' Antwoord: ,,Voetballen in plaats van praten.''

    • Mark Hoogstad