Bali en het terrorisme

De bomaanslag in het uitgaanscentrum van Kuta op Bali haalt de aandacht even weg van Irak. Waar ging het ook al weer om na 11 september 2001? Om de strijd tegen het terrorisme. Die was misschien niet verflauwd, maar de retoriek over een ophanden zijnde oorlog tegen Irak heeft wel het brandpunt doen verschuiven. De gebeurtenis op Bali maakt daar tijdelijk een einde aan. De feiten zijn er indringend genoeg voor. Meer dan 180 doden; slachtoffers van ten minste twaalf nationaliteiten; de gekozen dag: precies twee jaar na de aanslag op het Amerikaanse marineschip Cole, dat op 12 oktober 2000 nabij Jemen doelwit was van terroristen. Een duidelijk patroon is er niet, maar de bom van Bali is onder te brengen in een recente reeks aanslagen of vermoedens daarvan die te denken geven: die op het Franse tankschip Limburg voor de Jemenitische kust, op twee Amerikaanse soldaten in Koeweit en die in de Zuid-Filippijnse stad Zamboanga.

De Amerikaanse waarschuwingen tegen de mogelijkheid van aanslagen in en buiten de Verenigde Staten, door sommigen afgedaan als paniekzaaierij, waren niet overdreven. `Bali' drukt met name de Indonesische autoriteiten met de neus op de feiten. Hoewel nog niemand de aanslag heeft opgeëist, zal de regering van president Megawati Soekarnoputri snel moeten handelen. Indonesië was al gebrandmerkt als land waar moslimextremisten de confrontatie zoeken, maar is door deze bom een speerpunt geworden in de strijd tegen het terrorisme. Wie zal het zeggen: misschien was dat wel de bedoeling. In de ingewikkelde politieke verhoudingen van Indonesië is bijna niets wat het lijkt. Megawati zal al haar vernuft moeten gebruiken om tegemoet te komen aan de internationale en binnenlands-militaire druk en tegelijkertijd kalmte en rust te prediken onder de eigen bevolking, goeddeels islamitisch maar in haar verscheidenheid even kleurrijk als potentieel explosief. Alleen al op Bali is dat waarneembaar. In het zuiden wordt een eigen vorm van hindoeïsme aangehangen; in de twee grote steden wonen veel Chinezen en in het noorden zijn de islamieten in de meerderheid.

Voor Indonesië en voor Bali in het bijzonder is de aanslag een ramp. Het eiland is een toeristische attractie van de eerste orde. Australiërs, Europeanen en Amerikanen zetten met hun komst voor miljoenen aan harde valuta om en hebben een zekere mate van welvaart – en onloochenbaar ook verloedering – gebracht. De kans is groot dat deze bron van inkomsten voorlopig opdroogt. De gevolgen laten zich raden. Het onderstreept alleen maar het belang van een systematische en internationale aanpak van het terrorisme. De strijd daartegen vereist aanzienlijk grotere betrokkenheid dan menig politicus denkt en hoopt. Zowel in Indonesië als Maleisië, Singapore en de Filippijnen zijn in meer of mindere mate moslimextremisten en -terroristen actief. In de Filippijnen heeft dat geresulteerd in gezamenlijke en lokaal omstreden acties met Amerikaanse militairen. Het is nog te vroeg om te zeggen of deze vorm van samenwerking een succes is; feit is wel dat de Filippijnse regering meer doet tegen het terrorisme dan lippendienst bewijzen aan Washington.

President Bush zette het terrorisme op de agenda, en vervolgens Irak. De bomaanslag op Bali toont aan dat terroristen hun eigen agenda bepalen.