Altijd een jongen, olijk en broos

Geen mooiere wielerkampioen dan Mario Cipollini, geen renner die zo zeker van zichzelf en de overwinning een koers kan afronden. Het zijn de woorden van bewondering die Oscar Freire al eens heeft gebezigd, toen hem na zijn tweede wereldtitel (na 1999 in 2001) werd gevraagd of hij de erelijst van de Italiaanse meestersprinter zou kunnen evenaren. De 26-jarige Freire kent zijn beperkingen. Hij mag dan twee jaar geleden tot de sprinterselite zijn toegetreden, zo veel sprints als Cipollini zal hij nooit winnen: hij beschikt niet over de alles verslindende uitstraling van de Italiaan.

Oscar Freire is en blijft een jongen, olijk en klein slechts 1 meter 71. Hij is en blijft de Baskische jongen uit Torrelavega, nabij Santander, die al vanaf zijn negende jaar zo nu en dan een sprint wint. Wie de kleine Oscar op foto's in zijn wielershirt ziet, herkent meteen de kampioen van nu. Een leuke jongen die zijn trofeeën toont zo is hij nog steeds. Snel op de fiets in de laatste meters, maar leuk en vooral broos. Het is de vraag of de kwetsbare Oscar Freire wel zijn nieuwe ploeg (Rabobank) de zeges kan schenken die de ploegleiders en sponsors zich wensen.

Wie weet ontwikkelt Freire zich met de voormalige sprintbeul Jan Raas in zijn nabijheid tot een renner die meer dan een half seizoen wedstrijden wint. Misschien wordt hij sterker en kan hij zich langer staande houden in wielerrondes als die van Spanje en Frankrijk. Mogelijk wordt hij verlost van terugkerende rugpijnen. Twee jaar mag hij zich bewijzen in de Nederlandse ploeg die ernstig verlegen zit om een rassprinter.

Achter de motor van zijn broer traint Freire urenlang om uithoudingsvermogen op te doen. Op de wielerbaan van het sportcomplex in Torrelavega, dat vorig jaar naar hem is vernoemd, doet hij souplesse op. Veel trainen doet Oscar al sinds hij als jongen het wielrennen ontdekte. Oscar Freire is bezeten van zijn sport, omdat hij meent dat hij vooral door veel trainen de top bereikt. Wat hij aan talent mist, probeert hij goed te maken met een overdosis inzet.

Ten onrechte werd Oscar Freire na zijn wereldtitel in 1999 door de niet-Spaanse media gekenschetst als een toevalswinnaar. Goed, hij was dan een vrijwel onbekende tweedejaars prof en werd pas op het laatste moment toegevoegd aan de Spaanse WK-ploeg, maar hij was allerminst een anonymus. Wie als kadet al van de 32 wedstrijden er vijftien won, op het Spaans juniorenkampioenschap vierde werd en in 1997 op het WK voor amateurs tweede, is geen wielrenner die uit het niets is gekomen.

Een jaar na zijn wereldtitel bij de profs in 1999, eindigde Freire derde op het WK, en twee jaar later werd hij weer wereldkampioen. Het leverde de Spanjaard een contract op bij de fameuze Italiaanse ploeg Mapei. Maar zoals gezegd is Freire een breekbare jongen. Hij is een man van momenten, die kampt met zijn gezondheid. Een paar jaar geleden leidde een combinatie van een ontsteking in het kniegewricht met een gastro-enteritis virus zowat tot een amputatie van een been. Freire kwam er bovenop, maar lijkt nog niet vrij van angsten onder andere dat een dergelijk euvel terugkeert.

In de recente Tour de France kwam hij in de zevende etappe ten val, waarbij hij weer een blessure aan zijn rug opliep. Het was het einde van de wereldkampioen in de Tour nadat hij eerder de tweede etappe in een massasprint had gewonnen. Gisteren op het WK had hij temidden van de sprinters Zabel en McEwen meestersprinter Cipollini in zijn ultieme gooi naar de wereldtitel kunnen dwarszitten. Maar Freire raakte betrokken bij een valpartij en kwam 3 minuten en 54 seconden na de mooie winnaar teleurgesteld over de eindstreep. Hij kwam net op tijd om de beste sprinter van de laatste tien jaar op het erepodium te zien stralen. Om jaloers op te worden.