Zwagermans onvermoede paternalisme

Joost Zwagerman uitte in een essay in M (5 oktober) zijn zorg over wat hij ,,de zelfmoordlobby'' noemde. Daaronder schaart hij al diegenen die ook voor depressieve mensen het recht op zelfmoord verdedigen, of die naar zijn oordeel te licht over zelfmoord denken; bijvoorbeeld doordat ze zoals ik doe de gedachte van een zelfmoordpil verdedigen. Zo'n pil is gevaarlijk, zegt Zwagerman: want wanneer middelen om zelfmoord eenvoudig te krijgen zijn, stijgt het percentage zelfmoorden onmiddellijk. Bij wie een geladen pistool bij de hand heeft, zal de gedachte aan zelfmoord zich immers meer opdringen dan bij wie zonder zit, meent hij; wat moet dat dan als die pil die ik voorsta, makkelijk te krijgen zou zijn?

Voor de discussie is het zinnig vast te stellen dat in Nederland elk jaar zo'n 1500 tot 1700 mensen zelfmoord plegen. Hun aantal is wonderbaarlijk stabiel: zowat overal in het Westen moet circa één procent van alle jaarlijkse sterfgevallen op conto van zelfmoord worden geschreven. Mensen boven de 65 plegen tweemaal zo vaak zelfmoord als anderen. De meest gekozen methode is verhanging of wurging: bijna de helft van alle zelfmoordenaars kiest voor die relatief harde methode. Zo'n 250 mensen nemen medicijnen, 170 mensen werpen zich voor de trein. Ook in Europese landen waar vuurwapens makkelijker te krijgen zijn, zoals België, is verhanging de meest gekozen methode.

Uit uitgebreid onderzoek onder meer van het CBS blijkt dat het minder makkelijk voorhanden zijn van specifieke methodes de cijfers niet doet dalen: er vindt slechts een verschuiving plaats. Mensen gebruikten vroeger vaak stadsgas: zo'n twintig procent koos voor dit eenvoudig voorhanden zijnde middel. Nadat het giftige stadsgas werd vervangen door het onschuldiger aardgas, verviel die methode. De cijfers veranderden er echter niet door.

In het begin van de twintigste eeuw waren allerlei medicijnen die voor een betrekkelijk zachte zelfmoord zorgden, zonder recept voorhanden; de cijfers bleven stabiel. Ze zakten ook niet toen dergelijke middelen achter slot en recept werden opgeborgen. Vooral dat laatste argument heeft mij overtuigd dat niet de verkrijgbaarheid van middelen de gelegenheid schept, maar iemands geestesgesteldheid wie niet dood wil maakt nergens gebruik van en wie wél dood wil, grijpt alles aan, desnoods de harde methodes. Op grond daarvan stel ik in mijn boek over zelfmoord en euthanasie dat de overheid ervan moet afzien om middelen die geschikt zijn voor een zachte zelfmoord met man en macht van de markt te weren. De overheid hoopt door de afschrikking die harde methodes moeten inboezemen de zelfmoordcijfers omlaag te krijgen; zij dwingt daardoor juist die hardere methodes af vaak ten koste van derden, met name treinmachinisten.

Een tweede dispuut gaat over de geestesgesteldheid van de zelfmoordenaar. Zwagerman meent dat `de zelfmoordlobby' mensen zou staven in hun verlangen naar de dood. Hij noemt in zijn betoog voorbeelden van mensen die mislukte pogingen achter de rug hebben. Nu zijn anekdotes, hoe schrijnend ook, vaak beter geschikt voor belletrie dan voor een doortimmerd betoog, en dat blijkt: in deze verhalen is er geen sprake van dat deze mensen naar hun poging zijn toegepraat. Ook Betsy Udink, wier boek over haar depressie wordt aangehaald, zegt slechts dat ze nu vreest wat ze tóen gedaan zou hebben als een hulpverlener haar een zelfmoordpil had aangeboden: maar de crux is dat niemand dat heeft gedaan, wat Udinks angst nogal fictief maakt.

In mijn boek over euthanasie en zelfmoord verdedig ik de stelling dat de overheid het mensen niet nodeloos moeilijk moet maken zichzelf om te brengen. Mocht iemand tot de conclusie komen dat hij niet tegen de rest van zijn leven is opgewassen, dan heeft hij hoe dan ook het recht dat te beëindigen. Zwagerman stemt daarmee in, doch leidt daaruit af dat ik zou vinden dat ook derden het recht ontberen zich tegen die wens te keren. Dat is onzin.

Waar Joost het recht heeft zich van kant te maken, heb ik het recht die wens niet klakkeloos te aanvaarden. Als vriendschap eruit bestaat dat je kunt bekvechten over de vraag of je laatste vlam eigenlijk wel een leuk lief voor je is en op welke partij je wilt stemmen, waarom zou je iemands mogelijke doodsverlangen dan zonder enig debat, zonder weerstand, moeten accepteren? Maar als zijn positie en de mijne lijnrecht tegenover elkaar staan, wint de zijne qualitate qua. Het is immers zíjn leven. En net zoals ik Zwagerman dan niet kan dwingen verder te leven, mag hij niet verlangen dat mensen die apert niet verder willen leven, `behandeld' worden.

De werkelijke gruwel is dat als iemand echt dood wil, je als intimus of vriend uiteindelijk met lege handen achterblijft. En dan kun je maar beter hopen dat je vriend een zachte methode vindt, en zijn weg niet alleen heeft hoeven gaan.

Karin Spaink is auteur van het boek De dood in doordrukstrip: Over dood, euthanasie en zelfmoord (2001)]

    • Karin Spaink