Te veel belangen hinderen antidopingbeleid

Over twee jaar moet een World Anti-Doping Code bestaan waaraan alle sporters en alle sportorganisaties zich houden. Vooralsnog is het moeilijk alle partijen op één lijn te krijgen.

Er is een document in de maak dat wereldwijd eenheid in de regelgeving over doping moet brengen. Bij realisatie van de ambitieuze plannen zal de lappendeken aan dopingvoorschriften bij aanvang van de Olympische Spelen van Athene in 2004 zijn vervangen door de World Anti-Doping Code. Als het goed is hebben dan alle sportorganisaties en twee jaar later alle landen zich gecommitteerd aan een mondiaal standaarddocument, opgesteld door het wereld-antidopinginstituut WADA.

In die harmonisatie van het antidopingbeleid moeten tal van belangen op één lijn gebracht worden. Een bijna onmogelijke taak gezien de tegengestelde opvattingen over doping. Om twee voorbeelden te geven: in Frankrijk zat de echtgenote van de Litouwse profwielrenner Rumsas twee maanden in de cel op verdenking van het in bezit hebben van doping, maar in Amerika sloeg de honkballer McGwire zich enige jaren geleden rijk met een record aantal homeruns, terwijl hij toegaf spierversterkende middelen te gebruiken. Hij kon dat doen, omdat de professionele Amerikaanse honkbalcompetitie geen dopingcontroles kent.

Minstens zo verschillend denken regeringen over doping. Nederland voert een mild beleid, Italië verkiest een repressieve aanpak. Italiaanse toestanden van politieagenten die wielrenners van hun bed lichten en op zoek naar doping hotelkamers uitkammen, is hier ondenkbaar: de bestrijding van doping wordt overgelaten aan de sportbonden; de overheid beperkt zich tot het verstrekken van faciliteiten en de wettelijke bewaking van handel in verboden middelen.

Het zoeken naar eenheid in de dopingreglementen betekent vooral het nader tot elkaar brengen van `rekkelijken' en `preciezen'. Grofweg gezegd staan de haviken, die een harde aanpak met strenge straffen voorstaan, tegenover de duiven, die onder andere een inperking van de dopinglijst en nuancering in de strafmaat bepleiten. Nederland behoort tot de rekkelijken.

WADA zet hoog in bij de uitwerking van een mondiale code. Na een jaar voorbereiding van een speciale commissie kregen alle betrokken instanties in juni een uitgebreide ontwerptekst voorgelegd, die WADA veel macht verschafte in zowel de ontwikkeling als handhaving van de `Code'.

Tijdens een dopingcongres, dit voorjaar op Papendal, nam het Amerikaanse commissielid Richard Young een voorschot op het niveau van de Code. Hij zei: ,,Wij hebben de hele wereld als partij. Dat is van een andere orde dan het één-op-één afsluiten van een contract. Wij moeten een overeenkomst sluiten met regeringen, internationale sportbonden en nationale olympische comités, dat maakt de uitwerking ingewikkeld. We kunnen het document zo dun maken dat het snel wordt geaccepteerd, maar dat willen we niet. We streven naar een waardevolle Code die gedetailleerd is en waarover consensus bestaat. Als de Code wordt uitgehold en weinig voorstelt, hebben we ons werk niet goed gedaan.''

Desondanks regende het bezwaren op de ontwerptekst. Met name het Internationaal Olympisch Comité en de internationale sportfederaties trokken van leer, omdat zij niet willen dat hun soevereiniteit wordt aangetast. Het IOC is er onder andere mordicus op tegen dat in de Code voorwaarden worden opgenomen voor deelname aan de Olympische Spelen. Daar gaat het WADA niet over, vindt het IOC.

Vanuit Nederland is ook commentaar op de ontwerptekst geleverd. De instanties die met het dopingvraagstuk te maken hebben, kwamen drie keer voor overleg bijeen op het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) om de bewaarschriften op elkaar af te stemmen. De sportkoepel NOC*NSF consulteerde bovendien medici, bondsdirecteuren en haar atletencommissie. De andere deelnemers zijn: het Nederlands Centrum voor Dopingvraagstukken (NeCeDo), Doping Controle Nederland (DoCoNed) en uit naam van de regering staatssecretaris van Sport, Clémence Ross.

Een bezwaar van NOC*NSF betreft het begrip `spirit of sport' waartegen gezondigd kan worden. De sportkoepel mist de subjectieve criteria die eraan ten grondslag liggen en vreest dat `spirit of sport' de achterdeur is waar door alle grensgevallen de Code binnen kunnen komen. NOC*NSF vindt ook dat de stafmaat twee jaar bij een eerste overtreding en `levenslang' bij een tweede verlicht moet worden. Ook moeten volgens de koepel gebruik en bezit van doping niet gelijk worden gesteld. In de opvatting van NOC*NSF is een sporter pas positief als een verboden stof bij hem of haar is gevonden.

Het NeCeDo, de instantie die voorlichting over doping geeft, laat bij monde van directeur Rens van Kleij weten dat WADA weliswaar een goed document heeft opgesteld, maar op onderdelen te ver is doorgeschoten. ,,De balans in rechten en plichten van de sporter helt te ver over naar de plichten. Stel een renner komt te vallen in de Ronde van Egypte en hij krijgt in een ziekenhuis middelen toegediend die op de dopinglijst staan. Dan kun je hem daarvoor moeilijk verantwoordelijk houden.''

Aanmerkingen heeft het NeCeDo ook op het hoofdstuk 'Claims'. Van Kleij: ,,Volgens de Code kunnen organisatoren die conform de voorschriften hebben gehandeld niet aangeklaagd worden. Maar waar moet de atleet dan naar toe als hij aanwijzingen heeft, dat er niet solide getest is? Het gaat ons inziens ook te ver dat de Court of Arbitration for Sport (CAS) in Lausanne als het enige beroepsorgaan wordt aangewezen. Een uitspraak van CAS verbiedt zelfs een gang naar een burgerrechter. Dat kan helemaal niet, want elke Nederlandse atleet heeft dat wettelijke recht. We zouden ook graag willen dat bij de sanctionering het begrip `maximale straffen' wordt gehanteerd. Er is een groot verschil tussen een sporter die onbewust neusdruppels met een verboden stof inneemt of iemand die moedwillig efedrine gebruikt.''

DoCoNed, de instantie die verantwoordelijk is voor uitvoering van de dopingcontroles, heeft bezwaar tegen het ontbreken van de Trias Politica in de ontwerptekst. Volgens de directeuren Aad Zeeman en Koen Terlouw mag WADA niet de regels opstellen, het beleid bepalen en verantwoordelijk zijn voor de sancties. Zij vinden ook dat nationale antidopingorganisaties nauwer bij de uitvoering betrokken moet worden. DoCoNed ziet niet graag haar taak in Nederland wordt overgenomen door commerciële bedrijven en wil dat graag in de Code vastgelegd zien.

Dan is er nog een probleem over de status van WADA. Als privaatrechtelijke organisatie is zij geen partij waarmee regeringen overeenkomsten mogen sluiten. Bovendien zal geen land toestaan dat een antidopingcode van WADA de verantwoording voor beleid en wetgeving overneemt. De Nederlandse regering zeker niet. Ze laat in het bezwaarschrift weten dat het onder die voorwaarden bereid is apart een convenant te tekenen waarin de bevoegdheden van WADA en overheden zijn vastgelegd.

WADA heeft wegens de talrijke bezwaarschriften een tweede versie van de Code gemaakt. De tekst werd donderdag openbaar en is milder van toon. Aan de autonomie van het IOC, sportfederaties en regeringen wordt niet langer getornd en de atleet krijgt minder verplichtingen opgelegd. Een kleine concessie deed WADA in hét strijdpunt van de Code: de strafmaat. Het uitgangspunt voor een schorsing van twee jaar bij een overtreding en `levenslang' bij een tweede blijft gehandhaafd. De enige aangebrachte nuancering betreft het gebruik van `therapeutische middelen'. Het voorstel is die lichte vorm van doping te bestraffen met maximaal zes maanden; bij daaropvolgende vergrijpen geldt `twee jaar' en `levenslang'.

Alle betrokken instanties krijgen tot 10 december de tijd bezwaar aan te tekenen. Vervolgens stelt WADA de definitieve tekst op om die begin maart tijdens een antidopingcongres in Kopenhagen door alle partijen laten bekrachtigen.

    • Henk Stouwdam