Reeuwijkse plassen Haastrecht

Joyce Roodnat wandelt door Nederland en de rest van de wereld. Deze week langs veel nattigheid.

In een gestaag doorstromende regenbui zijn we via de schelpenpaden in de bosjes van de Reeuwijksche Hout beland, aan de oever van de Reeuwijkse plassen. Plassen? Ik zie één machtige plas. Een uitgestrekte watervlakte met de teint van een aluminium pan – glimmend gepoetst, hier en daar bijna wit – ligt te rimpelen onder opgepompte regenwolken. Een kleine kudde eenden slaapt onder de oever koppen in de veren, voorstevens vooruit. De regen doet ze niets.

Mij ook niet, al is de temperatuur in het regenpak wat hoog. Ik krijg het warm. Ter verkoeling sliert ik met mijn handen langs de natte bladeren van de elzen. Dat helpt.

Regen heeft zijn charme. Regen maakt kleuren helderder, creëert een feest van damp en glinstering boven het water en zet de horizon in soft focus.

Daar is de Zoetendijk die ons dwars over de plas gaat voeren. Ik had me een smalle dijk voorgesteld met aan weerszijden water op zoolhoogte, maar hij is breed, met vakantiehuizen en siertuinen en recreatiestroken achter heggen waar boten kunnen worden vastgemaakt en tenten opgezet. Afvalbakken. Afrasteringen. Bordjes met `Verboden' erop.

's Zomers zal het hier afgeladen zijn. Nu is het leeg. Ik geloof dat we toevallig het juiste jaargetijde en het juiste weer hebben gekozen om hier te wandelen. Niemand stelt zich tussen ons en het zicht op het grijze water dat aan twee kanten blinkt achter de bomen en de manshoge, op kapotte paraplu's lijkende resten van de bereklauw-bloemen. Niemand die het gesnep en gepep van de vogels aan het oor onttrekt.

Het pad is een groen gangetje tussen korte knotwilgen dat we delen met vier verpieterde fazanten en met een doodsbenauwd jong waterhoen. Als een wilde probeert hij zich door de mazen van een kippengazen hek te wurmen. Hij is in paniek, denkt dat wij het op hem hebben voorzien. Zijn enorme gele tenen klauwen in de modder, zijn bruine vleugels met de witte bies slaat hij tegen het scherpe draad. Straks verwondt hij zich nog. We houden in tot hij het gat in het gaas heeft gevonden dat ik de hele tijd al zag. Voor de zoveelste keer verwens ik het feit dat dieren geen mensentaal verstaan. Dan zou ik ook meteen excuses maken voor de smerige laag schuim die zijn schuilplaats tussen het riet vervuilt.

Er moeten meer excuses gemaakt worden. Aan de drie verdronken muskusratten, die met hun dooie konten omhoog drijven in een val van ijzerdraad. Ik weet het. Die beesten ondermijnen de dijken en zulke vallen zijn verantwoord in tegenstelling tot gif. Maar als de 19e eeuwse Oostenrijkse bontindustrie (!) ze niet uit Amerika had geïmporteerd en uitgezet, was dit niet nodig geweest. En leveren hun vachten nu dan op zijn minst een jas op? Ik geloof er niets van.

Het valt droog, het blijft droog, het regenpak kan uit. Op de andere oever, waar ik mijn eerste vliegenzwammen van deze herfst zie, belanden we in een ouderwets polderlandschap, vol sloten met series aanminnige, bemoste betonnen bruggetjes erover. Langs de kanten en op het kroos ziet het wit van het dons. De zwanen zijn in de rui.

17 km. Kaarten (13), 14, 15, 16 uit: W. Stadhouder en P. Zwang: Pelgrimspad I. Uitg. Wandelplatform-LAW, Amersfoort. Tel. Taxi Thalia 0182 512480/512001.

    • Joyce Roodnat