Prestige rinkelt

Een zoon van een kennis van mij, die geschiedenis studeert, kondigde kort voor zijn afstuderen aan dat hij ging solliciteren voor een aio-plaats. Hij wilde dus via zo'n slecht betaald baantje vier jaar lang gaan werken aan een proefschrift dat door niemand gelezen wordt, met daarna een vrij grote kans op werkloosheid. Dat heeft tot een verschrikkelijke familieruzie geleid. Vaderlief, zelf een medisch specialist, dreigde onmiddellijk verdere ondersteuning van de jongen te stoppen. `Als jij je toekomst wil vergooien, moet je vooral zo doorgaan', brieste hij. `Je hebt al een vak van niks gekozen, maar zo word je zeker een minimumlijer. Je grootvader en je overgrootvader waren bètawetenschappers. Als je nu nog rechten had gekozen, maar dit vak leidt tot niets. En dan wil je daar ook nog in verder. Je kunt nog beter leraar worden dan gaan promoveren.' Moeder in tranen: `We hebben toch altijd het beste met je voorgehad. Je gaat toch niet de weg van de minste weerstand kiezen en jezelf in de boeken begraven. Jongen, ga toch de maatschappij in, ik zag gisteren nog een advertentie in de NRC voor een allround academicus bij een uitgever, daarmee kom je veel verder.' Oma deed ook een duit in het zakje: `Ga nou maar eens eerst op vakantie, zodat je er wat minder bleek uitziet. Dan kom je vanzelf wel op andere gedachten.'

De jongen had geen vriendin. Had hij die wel gehad, dan had die waarschijnlijk ook wel een zure opmerking gemaakt over de toekomst, maar misschien had hij wel geen vriendin juist omdat hij aio wilde worden. De jongen zette door en diende met hulp van zijn scriptiebegeleider een aanvraag in bij het onderzoeksinstituut. Hij stuurde zijn scriptie op, hij dikte zijn prestaties wat aan voor zijn curriculum. Hij kwam door de eerste selectie en werd uitgenodigd voor een gesprek. Daarbij scoorde hij goed. Er waren 96 sollicitaties geweest, hij eindigde op de zesde plaats. Helaas was er maar plek voor vijf kandidaten. De jongen bereidt nu een nieuwe aanvraag voor. Zijn scriptie bewerkt hij tot een artikel, hij heeft een paper ingediend voor een congres en hoopt daar een plaatsje te krijgen. Hij verdient net voldoende om zijn fotokopieën te kunnen betalen doordat hij een website voor een groot advocatenkantoor onderhoudt.

Mijn kennis belde me op om te vragen hoe het nu verder moest. De jongen had blijkbaar in zijn hoofd vastgezet dat hij wilde promoveren in het geesteswetenschappelijk onderzoek. Moest ze haar verzet staken, vroeg ze. Die vraag was snel beantwoord. Maar of ik haar dan kon uitleggen wat een mens kan motiveren om ervoor te kiezen een aio-plaats in de geesteswetenschappen te ambiëren? Daarover moest ik nadenken.

Een financiële reden kan het niet zijn. Het salaris van een aio is wel enigszins opgeschroefd sinds enkele jaren, maar is nog steeds geen salaris voor een academicus. Bij het bedrijfsleven en de overheid zijn de schalen hoger. Bovendien kan elke academicus met een doctoraal in de letteren zo terecht in het onderwijs, waar leraren met open armen in welk vak dan ook ontvangen worden, en waar meer verdiend wordt dan aan de universiteiten.

Een kwestie van prestige zou eventueel de reden kunnen zijn om te opteren voor een aio-traject. Maar is het wel zo dat een doctor in de letteren in de maatschappij meer aanzien geniet dat een doctorandus? Wordt hij met voorrang behandeld ergens? Is hij eerder aan de beurt bij de bakker of de groenteboer? Krijgt hij een betere plaats in de schouwburg? Wordt de post eerder bij hem bezorgd? Zou een werkster liever bij een doctor de keuken schoonmaken dan bij een makelaar? In de maatschappij geldt dat wie het meeste geld kan laten rinkelen voorrang krijgt.

Ik zag het onlangs nog bij de Amsterdamse opera. De beminnelijke oud-burgemeester was op de fiets naar de première gekomen, en sloot netjes in de rij aan om zijn kaartje af te laten scheuren. Er stonden ook een stuk of tien zwarte limousines ongeveer tegen de ingang geparkeerd. Chauffeurs maakten de portieren open voor mij onbekende heren en op de een of andere manier kwamen ze sneller binnen dan de oud-burgemeester. Het waren geen bewindslieden, geen leden van het koninklijk huis, geen dirigenten of kunstenaars, want die zou ik herkend hebben. Dus moeten het wel industriëlen zijn geweest, waarschijnlijk sponsors. Voorrang geldt geld, prestige rinkelt.

Zou de stijfkoppige jongen dan de toekomst berekenen? Dat zou kunnen. In de Letterenfaculteiten is de vergrijzing het hoogst van alle faculteiten. Natuurlijk komt hier binnen een jaar of vijf leegloop. Open plaatsen zijn er dus wel te verwachten aan de universiteiten in de komende jaren, maar misschien niet op plekken die aansluiten bij het onderzoek van onze historicus. De studenteninstroom is onvoorspelbaar, en dus ook de toekomstige vraag naar wetenschappelijk personeel.

Wat kan ik nog meer aan motivaties bedenken? Misschien is er een negatieve reden. Sommige studenten zijn zo bang voor de grote maatschappij, dat ze nog liever enige jaren doorstuderen in de vertrouwde academische omgeving, dan dat ze afscheid nemen van hun jeugdjaren. Ze durven niet volwassen te worden. Vroeger was dat geen probleem, toen het vrij gebruikelijk was om een jaar of acht te studeren. Dat werd zelfs gestimuleerd, want na vier jaar hoefde je geen collegegeld meer te betalen. Een klein baantje erbij voor de basisbehoeften, en je was eeuwig student.

Dit alles geldt niet voor de zoon van mijn vriendin. Hij is een van die mensen die gegrepen zijn door onderzoek. Hij is aangeraakt door de geur van archieven, door het openen van tijdschriften die in lange tijd door niemand geopend zijn, door het zoeken naar sporen van vroeger bestaan. Hij heeft het in zich om te ordenen en nieuwe ordeningen aan te brengen. Hij kijkt als het ware in de vuilnisbak van de geschiedenis om te zien of er niet te veel is weggegooid. Hij verheugt er zich op van staatswege een toelage te krijgen om rustig een studie te mogen schrijven, in zijn eentje, door niemand opgejaagd, en hij denkt dat hij over vier jaar een onderzoek de wereld in heeft gestuurd waar de mensheid van zal opkijken. Een proefschrift, daarmee haal je de eeuwige roem binnen. Je helpt de wetenschap, en dus de mensheid vooruit. Als jezelf allang dood bent, dan zal je proefschrift nog geraadpleegd worden door nieuwe geleerden, het zal geciteerd worden en zo deel uitmaken van de onverbroken ketting van de vooruitgang.

Ik denk zelf dat hij nog het een en ander zal leren en zal moeten leren. Een aio-bestaan is minder rustig dan hij denkt. De promotor jaagt achter je aan, want hij wil dat je in vier jaar klaar bent. Hij ontleent eigen roem aan zijn promovendi, dus zal hij proberen je in congressen te duwen en hij zal je je vingers blauw laten schrijven. Hij zal je flink bekritiseren, want een zachte promotor maakt een lappig proefschrift. Zijn priemende ogen zul je steeds in je nek voelen. Je bent voor een paar jaar full time onderzoeker, maar waar je eigenlijk voor bestemd bent, namelijk voor een docentschap aan een universiteit, daarin krijg je vrijwel geen scholing. Je leert in eenzaamheid te werken, terwijl je later verweten wordt dat je niet in teamverband onderzoek opzet. Maar de grootste deceptie wordt misschien het proefschrift zelf, dat in het begin wat aandacht krijgt, maar al gauw zelf in de vuilnisbak van de geschiedenis terechtkomt. Die arme koppige jongen, zal hij zijn ouders gelijk gaan geven? Of is hij de uitzondering die dat éne proefschrift schrijft dat zelfs door de rinkelelite bewonderd gaat worden?

    • Marita Mathijsen