Oude schoenen

Was bij Cuijk al eerder een Romeinse brug opgegraven, nu komen er Romeinse schoenen boven water, waarschijnlijk afkomstig uit een nabije legerplaats. `Vierde-eeuws, uit die periode hebben we nog bijna niks.'

Op weg naar huis met achter in de auto een Romeinse leren schoen. Opgedoken uit de Maas bij Cuijk. Nee, niet zelf. De schoen heeft daarna ook nog ruim een week bij ons thuis in de badkamer gestaan, in een afgesloten plastic bak met Maas-water. Allemaal een gevolg van een telefoontje naar Joost van den Besselaar. ``Je moet hem eens bellen'', had een archeoloog gezegd. ``Hij heeft iets bijzonders gevonden, maar krijgt weinig medewerking van de officiële instanties.''

Van den Besselaar wilde wel `praoten'. Hij woont in Haps, in de buurt van Cuijk, werkt bij de waterpolitie en is amateurarcheoloog. Niet op eigen houtje, maar keurig in georganiseerd verband. Hij is lid van de Archeologische Werkgemeenschap Nederland afdeling 16, wat staat voor Nijmegen en omstreken. Verder is hij voorzitter van de stichting Mergor In Mosam, een groepje van pakweg vijftien duikende amateurarcheologen die in de Maas en omliggende wateren archeologische vindplaatsen signaleren en verkennen. Hij heeft net de dit jaar uitgekomen wetenschappelijke publicatie binnen van de opgravingen van de Laat-Romeinse brug bij Cuijk in 1992 en 1993. Daarin staat hij vermeld als de coördinator van de amateurduikers, die de brug hadden ontdekt. Bij de publicatie zit een bedankbrief aan alle vrijwilligers van het hoofd maritiem erfgoed van de Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB).

Tijdens de opgravingen ontdekten de archeologen een meter of dertig ten zuiden van de brug, op de plek die `gebied 6000' heet, nog enkele houten palen, die vlak bij de kade net boven de bodem van de rivier uitstaken. De palen zijn in kaart gebracht, maar verder niet onderzocht.

mooi en gaaf

Van den Besselaar is de plek in de gaten blijven houden. Pal er naast ligt de loswal. Als vertrekkende binnenschepen hun schroeven aanzetten, zag hij het water zwart worden van de losgewoelde bodem. Vlak onder een dun laagje klei bleek een veenpakket met houtsnippers te liggen, dat door de kracht van de schroeven zijn geheimen begon prijs te geven. Van den Besselaar en zijn duikers ontdekten eerst één leren schoen, gevolgd door nog een en nog een en nog een en nog een. Zo mooi en zo gaaf had de Romeinse schoenenexpert, Carol van Driel-Murray van de Universiteit van Amsterdam, ze nog nooit gezien, vertelde Van den Besselaar. ``Bel haar maar als je er zeker van wil zijn.'' Van Driel bevestigde het verhaal. ``De schoenen zijn uniek, ze zijn vierde-eeuws en uit die periode hebben we nog bijna niks.''

Reden genoeg om op een zondagochtend naar Cuijk te gaan en met eigen ogen de duikers aan het werk te zien. In het water een boei met een blauwwitte wimpel, het internationale teken dat daarbinnen duikers aan het werk zijn. Van hen is niks te zien behalve hier en daar wat bubbels aan het oppervlak. Van den Besselaar is onderwater. Tijd genoeg om een bordje met opschrift aan de kademuur te bekijken.

Het gaat over de Romeinse brug die rond 340 is gebouwd. Cuijk kende toen al drie eeuwen Romeinse invloed. De archeologen, die met tussenpozen vanaf 1937 serieus in Cuijk graven, zijn er nog niet uit of er al die jaren ook een legerplaats is geweest. Wel staat vast dat in het begin van de vierde eeuw een castellum, een legerplaats, werd gebouwd. Keizer Constantijn de Grote had rond die tijd het Romeinse gezag aan de Beneden-Rijn hersteld en een einde gemaakt aan Germaanse invallen. Cuijk, toen waarschijnlijk Ceuclum geheten, lag op een knooppunt van wegen naar Nijmegen, Tongeren en Xanten. De legerplaats lag pal achter de huidige kademuur. Waar nu de St. Martinuskerk staat, liepen twee diepe grachten. Anders dan in vroegere tijden was de legerplaats een soort vesting die een beleg moest kunnen weerstaan. Constantijn mocht de orde aan de grens weer hebben hersteld, dat wilde niet zeggen dat de Romeinen als vanouds het hele gebied controleerden. Ze moesten dulden dat de buitengebieden rond plaatsen als Cuijk en Nijmegen in handen waren van Franken. Latere restauraties aan de brug maken duidelijk dat de Romeinen zeker tot het einde van de vierde eeuw in Cuijk zijn gebleven. Een deel van hun afval hebben ze achtergelaten in wat nu gebied 6000 is.

Van den Besselaar komt boven water. Onder de duikbril hangt een rossige snor. Zijn duikpak toont sporen van veelvuldig gebruik. Hij weet het, het ziet er niet uit, is bijna twintig jaar oud, maar zit als gegoten. Op maat gemaakt in Engeland, toen hij nog niet bij de waterpolitie zat en beroepsduiker was. Hij bekijkt duikers met een glanzende uitrusting en het nieuwste van het nieuwste met enige scepsis. Geef hem maar iemand die zijn hoofd koel houdt, als een vrachtschip door de buitenbocht van de Maas komt zeilen. Zo'n schip gaat vlak langs de duikplek. Onder water, waar het zicht soms amper een meter is, klinkt het geluid van de schroef dubbel zo hard. Blijf dan maar eens rustig en raak niet in paniek. Waaghalzen kan hij daarom niet gebruiken.

En nu moet hij even zijn gal spuwen over de ROB. De onderwaterarcheologen van de dienst hebben te maken met een beperkt budget en weinig mankracht en hebben keuzes moeten maken. Ze richten zich vooral op onderzoek en opgraven van scheepswrakken in de Waddenzee, vindplaatsen in de binnenwateren zoals gebied 6000 hebben minder prioriteit. Dat kan Van den Besselaar nog begrijpen. `Laat ons het dan doen', heeft hij voorgesteld. `Nee dat mag niet meer', kreeg hij te horen. De tijden dat amateurs tegen veertig gulden onkostenvergoeding voor een beetje perslucht met de officiële archeologen voor een opgraving konden samenwerken zijn voorbij. De Nederlandse archeologie is vercommercialiseerd en geprofessionaliseerd, heet het. Inzet van amateurs wordt als concurrentievervalsing gezien. Niemand ook meer die zo'n schoen even gratis tussendoor conserveert of onderzoekt. Nou ja bijna niemand, gelukkig Carol van Driel wel. En dan is er ook nog het Duikbesluit dat bepaalt dat duikers bij professionele werkzaamheden aan tal van arbo-voorwaarden moeten voldoen. Alsof zijn groep niet professioneel werkt. Maar het betekent wel dat amateurs onderwater alleen nog maar mogen verkennen. ``De ROB past de wet strikt toe. Maar dat moet je niet doen. Je moet er mee omgaan. Ik heb het nagevraagd bij het ministerie, die wet is helemaal niet bedoeld voor amateurarcheologie.'' Ondertussen ziet Van den Besselaar door erosie steeds meer van de vindplaats wegspoelen.

Een duiker komt boven water. In zijn hand een mandje met vondsten. Enkele muntjes, wat aardewerk en zo waar weer een vrijwel gave schoen. Naden, stiksels en veter zijn duidelijk te zien. De schoen gaat in een plastic zakje en daarna naar Van den Besselaars huis in Haps. Daar krijgen alle vondsten van de dag een nummer en worden ze gefotografeerd. De schoen gaat samen met enkele losse reepjes leer in een plastic bak water. Of de bak met inhoud mee mag met de auto, naar Carol van Driel? Dat bespaart hem weer een ritje naar Amsterdam.

kopje thee?

``O, wat leuk, weer een model dat een probleem oplost.'' Carol van Driel-Murray is direct enthousiast, als ze de schoen voorzichtig uitpakt. Ze houdt zich al dertig jaar bezig met Romeinse schoenen en zo'n vondst had ze niet meer verwacht: vrijwel gave schoenen die in één keer het gat van de vierde eeuw opvullen. ``Kopje thee?'' Na 25 jaar Nederland is er weinig accent over, maar het wolkje melk houdt ze in ere, ook in haar kleine kamer op het Amsterdams Archeologisch Centrum.

Ze pakt een schoenendoos van het merk Sioux, `für Sie gemacht'. Enkele schoenen uit Cuijk zijn al tijdelijk geconserveerd en getekend, door een gepensioneerd ROB-medewerker. Voorzichtig pakt ze een schoen uit de doos. Even groot als een moderne maat 43 en met hetzelfde model als de laatst gevondene: vrijwel uit één stuk, zeer laag uitgesneden bij de tenen en een hoge hiel. In Ceuclum zelf gemaakt, getuige de vele afsnijdsels die de duikers ook hebben gevonden. Tot nu toe alleen bekend van afbeeldingen zoals het standbeeld van de Tetrarchen in Venetië, een fresco in een graftombe in het Bulgaarse Silistra, een vroeg-christelijke sarcofaag in het Franse Arles en het Grote Jacht-mozaiëk in het Siciliaanse Piazza Armerina. In het hele Romeinse rijk gedragen tussen pakweg 300 en 475, met een kleurige kous eronder en ook door soldaten. Van Driel corrigeert het clichébeeld van de Romeinse soldaat. ``Alleen in de eerste eeuw droegen ze sandalen met spijkertjes.'' En ook goed om te weten: ``Romeinse schoenen hadden geen hak.''

Bij het verwijderen van de modder uit de schoen kwam een lange veter tevoorschijn, die aan één zijde vastzat. Wat ze op grond van de afbeeldingen vermoedde weet ze nu zeker: de veter ging via twee gaatjes aan de zijkanten onder de voet door en weer naar boven. Lopen op een veter, het lijkt niet handig, maar Van Driel weet zeker dat het werkte. Ze heeft op een replica van een eerste-eeuwse legerschoen gelopen. Die liep heerlijk en kon je overal stellen, zodat een soldaat geen blaren kreeg als ze dat vergelijkt met de moderne schoenen van de Britse soldaten, die niet tegen de woestijn bestand bleken te zijn. Dit terzijde, ze wil ook van de vierde-eeuwse schoen een replica laten maken, om te ervaren hoe ze liepen. Dat kost ongeveer drie- vierhonderd euro. Dat lijkt niet veel, maar op de universiteit is nauwelijks geld.

Schoenen zijn bij archeologen ondergewaardeerd, zegt Van Driel. Ze probeert te laten zien hoeveel informatie onderzoek van schoenen kan opleveren. Archeologen zijn vanouds gek op vondsten dateren, nou, zij heeft een chronologie van schoenen die daarbij kan helpen. Schoenen geven ook inzicht in het dagelijks leven. Sommige geleerden houden nog altijd vol dat vrouwen en kinderen in legerkampen ontbraken, omdat Romeinse soldaten niet mochten trouwen. De vondst van vrouwen- en kinderschoenen bewijst dat de praktijk anders was. Zo ook in Cuijk, waar de duikers een sandaaltje maat 24 naar boven hebben gehaald en een vrouwensandaal maat 34.

De vrouwensandaal lijkt op een moderne Indiaase sandaal. Een dun zooltje van één laag leer, met een ingenieus vastgezet riempje. Nauwelijks versleten en waarschijnlijk maar een paar keer binnenshuis gedragen. ``Zo compleet vind je ze alleen in Egyptische graven. Dit type werd in de hele Mediterrane wereld gedragen en in Cuijk.''

wegwerpmaatschappij

Het riempje is gebroken, volgens Van Driel de reden dat de sandaal op de stort is terechtgekomen. ``De Romeinen hadden een wegwerpmaatschappij. Ze repareerden bijna nooit iets.'' Maar de vierde eeuw in Cuijk was blijkbaar een onzekere tijd, want de meeste Cuijkse schoenen allemaal Bally's van die tijd, want van goede kwaliteit leer vertonen sporen van langdurig gebruik en zijn soms wel gerepareerd geweest.

Het opvallendste model heeft een hoge hiel en een opengewerkte bovenkant. Met veel gevoel voor techniek heeft de schoenmaker sneden in het leer gemaakt en dat vervolgens zo opengetrokken dat een rasterwerk ontstond dat precies om de voet sloot. Van Driel had zoiets nog nooit gezien. In het Noord-Duitse Schleswig hebben ze een schoen die er op lijkt. Een aanwijzing voor noordelijke invloeden? ``Daar denken ze juist aan Romeinse invloeden, maar dat doen ze bij alles wat afwijkt.'' In Cuijk zijn al vier exemplaren gevonden. Ze denkt zelf aan Germaanse invloeden.

De schoenen gaan weer in hun doos. Binnenkort worden ze echt goed geconserveerd. Bij de ROB, die uiteindelijk toch bereid was om wat met de schoenen te doen. ``Dit is het klassieke voorbeeld van een amateur die zijn vondst de belangrijkste van de wereld vindt en begrijpelijkerwijs gefrustreerd raakt als de officiële instanties daar anders over denken'', begint Thijs Maarleveld, hoofd maritiem erfgoed bij de dienst. Ok, hij geeft toe, in dit geval zegt ook de wetenschappelijk expert dat het om iets heel bijzonders gaat. En de dienst stelt een goed contact met de amateurs, en dus ook met Van den Besselaar, nog steeds zeer op prijs. En dat is er ook regelmatig geweest, voegt hij er aan toe.

Maar een goed contact is het probleem niet. Amateurs raken gefrustreerd omdat ze worden aangemoedigd vindplaatsen op te speuren en die in de gaten te houden, maar o wee, als de omstandigheden zo zijn dat de plek zou moeten worden opgegraven. Dan geeft de ROB niet thuis, omdat ze geen geld, tijd en mensen hebben. ``Eh, ja, dat is zo.'' Maar Maarleveld heeft goed nieuws, ze gaan bij gebied 6000 nu toch opgraven. Wanneer? Dat kan hij helaas niet zeggen. Eerst moet van alles worden afgestemd met de gemeente en Rijkswaterstaat en moet worden bepaald wie gaat betalen.

    • Theo Toebosch