Ons kent ons

De Amerikaanse inlichtingendiensten bleven buiten schot, hoewel ze zowel voor als na de aanslagen van 11 september vorig jaar hebben gefaald. Hoe komt dat? Over etentjes, jaknikkers en het uur van de waarheid. `Als je geen steunpilaar bent, lekt de inlichtingengemeenschap negatieve informatie.'

Zelfs het noodlottige falen van de inlichtingendiensten rond 11 september heeft Amerikaanse overheidsfunctionarissen er niet toe kunnen bewegen het inlichtingenapparaat van de Verenigde Staten overhoop te halen. Maanden zijn de regering-Bush en het Congres bezig geweest een nieuw departement voor de Binnenlandse Veiligheid (Homeland Security) op te zetten om Amerikaanse burgers te beschermen, maar het lijkt erop dat de inlichtingenbureaucratie, die veertien diensten en ongeveer 100.000 werknemers omvat, grotendeels intact blijft.

Dat komt vooral doordat de Amerikaanse volksvertegenwoordigers weinig belangstelling hebben voor het vechten tegen diepgewortelde machten. Hoewel een gezamenlijke Congrescommissie voor de inlichtingendiensten eind september vorig jaar veel opzien baarde met de onthulling dat die diensten vóór 11 september een hele reeks blunders hadden begaan, en hoewel president Bush er in principe mee heeft ingestemd een onafhankelijke onderzoekscommissie in te stellen, blijft het Congres lijken klakkeloze jaknikkers als het gaat om het toezicht op Amerika's spionnen.

De Congrescommissie mocht een man, van wie werd aangenomen dat hij een van de hoofdberamers van de aanslagen van 11 september was, niet eens bij naam noemen, terwijl hij met naam en toenaam op de voorpagina van de New York Times stond. De regering maakte ook bekend dat zij geschokt zou zijn als het Congres zelfs maar aan minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell en minister van Defensie Donald Rumsfeld zou durven vragen of zij nog wel voldoende vertrouwen hadden in de kwaliteit van de inlichtingen die zij ontvingen.

Een van de weinige Congresleden die consequent kritiek ventileren op het toezicht op de inlichtingendiensten is Richard Shelby. Hij is een conservatieve Republikein uit Alabama en vice-voorzitter van de Senaatscommissie voor de inlichtingendiensten. In een gesprek vóór het begin van de openbare hoorzittingen vertelde Shelby dat hij zojuist een handgeschreven brief had ontvangen van de in Marokko geboren Fransman Zacarias Moussaoui, die gevangen zit in afwachting van zijn proces in verband met de terreuraanslagen van 11 september.

De senator zei dat hij de inhoud van de brief met mij kon delen, omdat de federale regering er nog niet aan was toegekomen om hem, net zoals bijna alles dezer dagen, tot staatsgeheim te bestempelen. Shelby klaagde dat zijn collega's veel te snel bereid zijn met deze beperkingen in te stemmen en op veel te goede voet staan met de inlichtingendiensten, en dat sommigen het idee van openbare hoorzittingen over 11 september zelfs helemaal afwezen.

Hoewel deze institutionele problemen in deze tijd misschien ernstiger lijken dan voorheen, zijn ze niet bepaald nieuw. De waakhonden uit het Congres gaan gebukt onder een historische erfenis die bestaat uit een reeks nalatigheden en tekortkomingen, uiteenlopend van een gebrek aan informatie tot een overdaad aan informatie, van gecompromitteerde Congresleden tot in opspraak geraakte medewerkers, van onwetendheid tot ondoelmatigheid, van misleiding door de inlichtingendiensten en intimidatie door het Witte Huis tot moedwillige bijziendheid.

Misdragingen van de CIA

Sinds het Congres in de jaren zeventig voor het eerst de taak op zich nam om toezicht uit te oefenen op de inlichtingendiensten, als reactie op een reeks misdragingen van de CIA (waaronder een rol in de gewelddadige omverwerping van de linkse president van Chili, Salvador Allende), is de waakzaamheid gestaag afgenomen. Vandaag de dag zijn er minder openbare hoorzittingen dan tien jaar geleden en komen er minder onafhankelijke getuigen hun verhaal vertellen. In dergelijke omstandigheden hoeft het geen verbazing te wekken dat sommige commissieleden weinig vertrouwen inboezemen op basis van hun kennis of integriteit. Ron Wyden, een Democratisch senator uit Oregon, kon na 15 jaar Congreslidmaatschap in 1996 niet zeggen waar Bosnië lag. Gary Condit, een Democratische afgevaardigde uit Californië, heeft toegegeven een geheime affaire te hebben gehad met de jonge stagiaire Chandra Levy, vlak voordat zij verdween – haar lichaam is later in een park in Washington teruggevonden. Hij is nog steeds lid van de subcommissie voor terrorisme en binnenlandse veiligheid van het Huis van Afgevaardigden.

Zelfs de meest bekwame commissieleden kost het jaren voordat zij inlichtingenfunctionarissen ertoe kunnen bewegen bruikbare informatie bekend te maken. ,,Je moet eerst weten wat je wilt vragen'', zegt Shelby, ,,en daarna moet je de juiste vraag op het juiste tijdstip aan de juiste persoon stellen.'' Maar een maximale termijn van acht jaar voor commissieleden heeft ervoor gezorgd dat de effectiviteit en de onafhankelijkheid van de commissies zijn afgenomen. ,,Tegen de tijd dat je echt iets afweet van al die programma's, ben je de commissie alweer uit'', aldus Shelby, die zijn zetel binnenkort moet opgeven.

Inlichtingenfunctionarissen gebruiken ingewikkelde technische begrippen om Congresleden te overdonderen, en voordat ze met hen spreken, hebben ze al met het Witte Huis overlegd om er zeker van te zijn dat niets wat ze zeggen tot politieke problemen zal leiden. ,,De verzamelde informatie moet het beleid sturen'', zegt Lee Hamilton, een ex-voorzitter van de Huiscommissie voor de inlichtingendiensten, ,,maar vaak is het precies andersom.'' Inlichtingenfunctionarissen zijn ook heel bedreven in het verleiden van commissieleden, zegt hij. ,,Ze zijn heel aardig voor ze, nodigen ze uit om langs te komen, trakteren ze op een leuk etentje, maken ze het hof, verleiden ze.''

Vaak is dat ook zo'n beetje alles wat er gebeurt. Volgens een rapport uit 1992 worden de met miljarden dollars gespekte begrotingen van de dertien inlichtingendiensten van de Verenigde Staten gecontroleerd door een staf van slechts twaalf mensen, van wie de meeste `insiders' zijn. Toen ik erachter probeerde te komen waar een voormalig staflid van een inlichtingencommissie was gebleven, die een Congreslid zich herinnerde wegens zijn verfrissend onafhankelijke geest, ontdekte ik dat hij nu voor de CIA werkt.

Leugendetector

Hoe incestueus worden de verhoudingen? Voorzitter van de commissie voor de inlichtingendiensten in het Huis van Afgevaardigden is Porter Goss. Hij is een voormalige CIA-agent, die is belast met het `toezicht' op een CIA-directeur, George Tenet, die zelf als staflid verbonden was aan de Senaatscommissie voor de inlichtingendiensten. En zelfs de vraag tot welke partij iemand behoort doet er weinig meer toe. Terwijl de Democraten in het verleden het meest de status-quo ter discussie stelden, zijn ze vandaag de dag soms het minst onafhankelijk. Toen de Democraten in mei 2001 de meerderheid in de Senaat terugkregen, konden velen in de CIA nauwelijks hun blijdschap verbergen bij het vooruitzicht dat Bob Graham, een Democraat uit Florida, commissievoorzitter zou worden. Dat was een kandidaat die zij veel aantrekkelijker vonden dan de veel kritischer Shelby. Een alom gerespecteerde oud-voorzitter zei over Graham en Goss: ,,Ik vind ze slap in een tijd waarin ze agressief zouden moeten zijn.''

Vincent Cannistraro, een vroegere directeur van de CIA-afdeling voor contraterreur, zegt dat het voorzitterschap normaal gesproken naar iemand gaat die een grote steunpilaar is geweest voor de inlichtingengemeenschap. ,,Als dat niet het geval is, lekt die gemeenschap negatieve informatie'', zegt hij. ,,Mensen met presidentiële ambities zullen het de inlichtingendiensten niet moeilijk maken – zeker niet als zij iets te verbergen hebben.''

Als geheimhouding botst met verantwoording, wint geheimhouding bijna altijd. Maar veel grond voor angst over schadelijke lekken is er niet. Een CIA-functionaris merkte in 1997 in een rapport op dat ,,afgezien van een paar alom bekende en enigszins gedateerde voorbeelden, geen enkele inlichtingenfunctionaris die voor deze studie is geïnterviewd voorbeelden heeft kunnen geven van commissie- of stafleden die in opspraak zijn geraakt.'' In juni van dit jaar brak grote onenigheid uit toen iemand de inhoud liet uitlekken van een in het Arabisch gevoerd telefoongesprek. Dat gesprek was op de dag vóór 11 september vorig jaar onderschept door de National Security Agency. Deze NSA, de `nationale veiligheidsdienst', houdt zich vooral bezig met afluisteren. Iemand zei in dat telefoongesprek dat ,,de wedstrijd op het punt stond te beginnen'' en dat ,,morgen het uur van de waarheid zal zijn aangebroken''. Dit voorval gaf de regering het excuus om de Congrescommissies door de mangel te halen, waarna de leden daarvan de FBI verzochten een onderzoek in te stellen naar het lek. Maar Loch Johnson, een gerespecteerd voormalig staflid van een van de inlichtingencommissies, zegt ronduit: ,,De kans is groot dat het lek bij de uitvoerende macht (de regering) zit. En als dat niet zo is, kan het Congres de commissie- en stafleden eens ernstig de les lezen. Dan zal het wel bij één incident blijven.''

Diverse commissieleden, onder wie Shelby, protesteerden toen de onderzoekers voorstelden leugendetectoren in te zetten, maar anderen, onder wie de Republikeinse senator Jon Kyl, verleenden graag hun medewerking. Volgens persbureau Associated Press bevestigden medewerkers van dertien van de zeventien commissieleden dat zij lijsten met gebelde telefoonnummers, memo's, bezoekerslijsten en andere documenten overdroegen. En geen enkel commissielid gaf te kennen zich daartegen te zullen verzetten. In de haast om de eigen betrouwbaarheid te benadrukken durfde zelfs niemand te opperen dat de publieke opinie recht had te weten welke informatie het veronderstelde `lek' bevatte.

Een Congreslid met een goede reputatie, de Republikeinse senator John McCain uit Arizona, stormde onlangs een geheime informatiebijeenkomst uit. Hij beklaagde zich erover dat de senatoren op die bijeenkomst minder te horen kregen dan ze zelf uit de krant konden opmaken. Hoewel inlichtingencommissies doorgaans besloten vergaderingen houden om `bronnen en methoden' (de details over de herkomst van bepaalde informatie) te beschermen, herinnert Dan Glickman, oud-voorzitter van de Huiscommissie voor de inlichtingendiensten, zich dat daar in zijn tijd ,,sowieso niets over werd losgelaten''.

Het is nog erger in de zeldzame gevallen dat commissieleden wel iets waardevols te horen krijgen. ,,Ik vond het ondraaglijk'', zegt Lee Hamilton, ,,om mijn mond te moeten houden als de president op een persconferentie iets zei waarvan ik, op basis van de beschikbare informatie, wist dat het niet klopte.'' Shelby maakt de indruk dat er in dit opzicht niet veel is veranderd.

Meer dan 30 miljard dollar

Commissieleden doen geen moeite meer de regering ertoe te bewegen de belastingbetalers te vertellen hoeveel het land uitgeeft aan het vergaren van inlichtingen. (Aangenomen wordt dat dit over het hele jaar genomen meer dan 30 miljard dollar is.) De CIA is van mening dat de begrotingen van reeds lang achter ons liggende jaren als 1947 en 1948 nog steeds te gevoelig zijn om openbaar te maken. Shelby twijfelt of het hier gaat om legitieme bescherming: ,,Waarschijnlijk staat er veel geheime informatie in die mensen in verlegenheid kan brengen, maar die niet ondermijnend is voor de republiek.'' Commissieleden beklagen zich er stelselmatig over dat medewerkers van de inlichtingendiensten hen in het ongewisse laten over de hightech-apparatuur die zo'n groot deel van het budget opslokt. Het rekruteren van mensen die Farsi (Perzisch) of Arabisch spreken kan voor betrekkelijk weinig geld tot betere informatie leiden, maar het zijn de dure technologiecontracten (en de banen die zij opleveren) waarmee Congresleden mooi weer kunnen spelen, vaak zonder veel verstand van zaken. En niet zelden leidt dat tot het welbekende draaideurmechanisme, waarbij voormalige stafleden bij bedrijven gaan werken die spionageapparatuur leveren.

De tijden zijn veranderd, de wereld is veranderd, maar het blijft onduidelijk wat – afgezien van het aanschaffen van steeds duurdere snufjes – de inlichtingendiensten gedaan hebben om hun strategie en tactiek sinds het einde van de Koude Oorlog te veranderen. ,,Wij denken dat er druk vanuit de publieke opinie nodig is om deze diensten te moderniseren'', zegt Shelby.

Maar waar de prikkel voor verandering vandaan moet komen is de vraag. Tenzij een of twee commissieleden die echt iets weten besluiten de openbaarheid te zoeken met een gedetailleerde kritiek op het huidige systeem. Zij kunnen dan het idee ter discussie stellen dat een regering het best kan functioneren als zij `gevoelige' informatie geheim houdt. Zij kunnen wijzen op bewijsmateriaal dat erop duidt dat het succes van veel onderzoekswerk en van preventieve acties afhankelijk is van de mate waarin het publiek zijn medewerking verleent. Tegen de achtergrond van wat nu bekend is over de tips en aanwijzingen die door de bureaucratie vóór 11 september werden genegeerd kan worden vastgesteld dat het bekendmaken van een paar harde waarheden over de dagelijkse praktijk van de inlichtingendiensten waarschijnlijk de verantwoordelijkheidszin ten goede zou komen en daarmee de openbare veiligheid zal verhogen.

Sommige ingewijden opperen dat de oplossing ligt in het aanstellen van betere, onafhankelijkere stafleden voor de Congrescommissies, wellicht door daarvoor voormalige inlichtingenofficieren te vragen die door hun kritiek in problemen zijn gekomen of die walgend met pensioen zijn gegaan. Maar het belangrijkste is nu allereerst te verzekeren dat de onafhankelijke commissie die de gang van zaken rond 11 september moet onderzoeken in staat wordt gesteld ook naar problemen te kijken die de inlichtingenwereld in zijn geheel betreffen. Critici van de huidige gang van zaken zijn het erover eens dat de commissie de macht moet krijgen om brede structurele veranderingen door te voeren die het een democratische samenleving mogelijk moeten maken zijn eigen spionnen te controleren.

Russ Baker is een Amerikaanse onderzoeks- journalist. Een langere versie van dit artikel is verschenen in het Amerikaanse tijdschrift The Nation. Vertaling: Menno Grootveld

Terwijl Russ Baker en anderen ervoor pleiten de macht van de onderzoekscommissie uit te breiden, viel deze commissie afgelopen donderdag uiteen. Critici verwijten het Witte Huis dat daar vanaf de eerste dag naartoe is gewerkt, aldus het persbureau AP.

Meer daarover op pagina 4 van deze krant.

    • Russ Baker