Levensloop

Op 5 mei 1995 hield koningin Beatrix in de Ridderzaal een toespraak ter gelegenheid van de vijftigste herdenking van de Bevrijding. Daarin verwees zij, in een ongebruikelijke persoonlijke noot, naar de betekenis van haar echtgenoot voor de Duits-Nederlandse verzoening.

,,Ook in Duitsland'', zei de koningin, ,,hebben velen in de naoorlogse periode de eigen geschiedenis eerlijk onder ogen willen zien, `zonder verzachtende woorden', zoals mijn man schreef in zijn inleiding bij de vertaling van de indringende herdenkingstoespraak van president Von Weizsäcker op 8 mei 1985. In deze confrontatie met de waarheid ligt de sleutel tot verzoening.''

De monarchie creëert haar eigen historische momenten. Dood, geboorte en huwelijk van vorstelijke personen behoren daartoe. Eén van de weinige voordelen van de monarchie is dat zij, uit haar aard, het historisch bewustzijn voedt en reflectie op het verleden bevordert. Zo was de dood van prins Claus een onvermijdelijke verwijzing naar de controverses rond `Het Huwelijk' in 1966, legde dat huwelijk zelf indertijd bloot hoe onverwerkt oorlog en bezetting nog waren en heeft Claus zich een plaats in de Nederlandse geschiedenis verworven door ,,confrontatie met de waarheid'' nooit uit de weg te gaan.

De rede van de koningin in 1995, met haar verwijzing naar de rol van Claus in het verzoeningsproces, lag politiek niet ongevoelig. In de door toedoen van de prins in Nederland verspreide en door hem ingeleide tekst van Von Weizsäcker had deze de achtste mei, dag van de Duitse capitulatie, uitgeroepen tot dag van de Duitse bevrijding. Het was hem niet in dank afgenomen. Volgens zijn critici in Duitsland was 8 mei geen dag van bevrijding, maar het begin van terreur tegen Duitsers en van het onrecht van de Duitse deling. Het behoort tot de verdiensten van Claus dat hij, zonder buiten zijn staatsrechtelijke beperkingen te treden, openlijk stelling nam, ,,zonder verzachtende woorden'', in dit Duitse debat: terwille van de verzoening.

Voor zover het hemzelf betrof, was die verzoening in Nederland allang een feit. In de talloze terugblikken op zijn leven, die de afgelopen week zijn gepubliceerd, valt op dat de prins van het begin af aan feilloos heeft aangevoeld welke bezwaren en emoties zijn komst in het Nederland van 1965 opriep. In Het Parool van dinsdag legt de Israëlische diplomaat Avi Primor, die met Claus bevriend was, daar getuigenis van af. Nadat hij Beatrix had leren kennen, schreef Claus hem ervan overtuigd te zijn dat ,,het Nederlandse koninklijk huis en het volk het de kroonprinses niet zouden toestaan een Duitser als echtgenoot te kiezen''. En toen Primor en zijn vrouw die het huwelijk als vrienden zouden bijwonen met een smoes wegbleven omdat de joodse gemeenschap in Nederland het huwelijk afkeurde, antwoordde Claus ,,dat hij in ons teleurgesteld zou zijn geweest als we de joodse boycot hadden getrotseerd''.

Ik herinner me dat ik als veertienjarige scholier volkomen onverschillig stond tegenover `Het Huwelijk', totdat ik met Kerstmis 1965 in Amsterdam logeerde bij een door de oorlog zwaar getroffen tante die er totaal kapot van was. Alles komt weer terug, zei ze huilend. Een provocatie vond ze het. Ik had verschrikkelijk met haar te doen, weet ik nog.

Het is met veel wijsheid achteraf dat nu, naar aanleiding van het overlijden van de prins, her en der de staf wordt gebroken over oud-verzetsstrijders en oorlogsvervolgden die het niet konden verkroppen een Duitser naast de troon te zien. Hans Schoots, die hierover maandag in deze krant schreef, kan nog wel enig begrip opbrengen voor de afwijzing in kringen van het voormalig verzet, maar niet voor het protest van de toen ,,spraakmakende vernieuwerselite'', volgens hem ,,een rotte plek in de mentale gesteldheid'' van die tijd.

Maar de generatie waarover hij schrijft was haar hele jeugd geconfronteerd geweest met het grote vergeten en verzwijgen in het naoorlogse Nederland. De jongeren van toen trachtten zich met het verzet te identificeren: in de mythologie van de bezettingstijd nam de verzetsnorm een voorname plaats in, de norm van on-gehoorzaamheid, gezagsondermijning, het nee tegen autoriteiten, tegen de monarchie dus ook. Werd de gezapige naoorlogse orde die zij aanvielen niet mede gedragen door politici die tijdens de bezetting bepaald niet brandschoon waren geweest, figuren als De Quay, Staf en Oud? Zo volgde op het verdringen en verzwijgen een periode waarin de bezetting het morele ijkpunt werd en aan iedereen persoonlijk een ultieme gewetensvraag werd gesteld: goed of fout?

Het verzoeningsproces is voltooid, niet alleen dankzij de ,,louterende werking van de tijd'', het is ook de verdienste van Claus zelf geweest, die niets bleek te moeten hebben van verdringing, relativering en verontschuldiging van het Duitse verleden. Provo was geen rotte plek, zoals Schoots stelt. Wel erkennen vrijwel allen die indertijd tegen Claus' komst protesteerden dat het een grote fout is geweest de persoon van Beatrix' geliefde in het geding te brengen. Het ging niet om de man, maar om het zinnebeeld.

Claus zelf heeft dat kennelijk in 1965 al begrepen. Het is niet alleen de protestgeneratie die daarvan heeft geleerd. Ook het koninklijk huis en de regering hebben conclusies uit de jongste geschiedenis getrokken. Met hoeveel meer wijsheid, omzichtigheid en begrip is het koninklijke huwelijk van begin dit jaar niet voorbereid door het kabinet-Kok, vergeleken met de autoritaire, grove en provocerende gedragswijze van het kabinet-Cals in 1966? Bij het huwelijk van Willem-Alexander en Máxima was er, ongetwijfeld mede dankzij Claus, tijdig het besef dat in de confrontatie met de waarheid de sleutel tot verzoening ligt.

Ik denk dat de ,,spraakmakende vernieuwerselite'' van de jaren zestig van haar kant de confrontatie met de historische waarheid zocht, maar van Claus heeft bijgeleerd welke waarheid er schuilt in het bijbelwoord: oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld worde. Wie dat inziet zal zich niet, zoals een commentator in de Volkskrant, de botheid permitteren Claus' leven te kwalificeren als ,,een on-vervuld bestaan''.

Ik zou, deze man herdenkend, eerder te rade gaan bij Friedrich Hölderlin (1770-1843):

LEBENSLAUF

Hochauf strebte mein Geist, aber die Liebe zog

Bald ihn nieder; das Leid beugt ihn

gewaltiger;

So durchlauf' ich des Lebens

Bogen und kehre, woher ich kam.