Kuikens per krat

Misverstandje. De heren hadden wel begrepen dat ik over hun kuikens wou praten, niet dat ik hun kuikens ook wou zien. Uiteindelijk, weifelend, gaat er een hand naar de telefoon om de vestiging in Lunteren te bellen. Of daar nog kuikens staan van vandaag.

De heren Truin en Van Nijhuis van Verbeeks Broederij, kantoorhoudend in Renswoude.

Verbeek produceert 28 miljoen henkuikens per jaar. Daarmee zou het bedrijf in vrijwel de gehele Nederlandse behoefte kunnen voorzien. Maar een deel ervan is bestemd voor export. Zo is er ruimte voor nog drie andere broederijen in ons land, zij het op veel bescheidener schaal.

,,Achtentwintig miljoen hennetjes'', zeg ik. ,,En achtentwintig miljoen haantjes?''

Dat klopt.

,,Wat doen we met de haantjes?''

De haantjes gaan in de koolzuurkast, binnen een minuut dood, en daarna als uilen- of slangenvoedsel naar dierentuinen of -winkels.

,,Allemaal?''

Allemaal, verklaren de heren.

Het zou hun een lief ding waard zijn als al meteen na de bevruchting het geslacht van de eieren kon worden bepaald. De mannelijke zou je dan als consumptie-eieren kunnen afzetten.

Door alleen de vrouwelijke te bebroeden, zou je de helft van de ruimte en de energie uitsparen. En de uitgekomen kuikens zou je niet meer hoeven seksen – bij een 56-miljoenvoudig herhaalde handeling scheelt elke seconde ruim 15.000 manuren.

Op laboratoriumniveau schijnt het inmiddels mogelijk te zijn, het seksen van eieren door middel van DNA-onderzoek, maar van toepassing in het productieproces is deze methode nog ver verwijderd.

Het begint dus met eieren. Nee, het begint met kippen. Het begint met de ouderdieren die een broederij als Verbeek inkoopt bij een fokbedrijf als Hendrix Poultry Breeders (HPB) in Boxmeer. Van die fokbedrijven zijn er nog maar drie op de hele wereld, en dáár wordt continu en koortsachtig gewerkt aan rasverbetering.

Zo heeft HPB de Bovans Goldline op de markt gezet, een robuuste kip die bovendien betrekkelijk rustig is. Stel dat alle kooisystemen in de legsector verboden worden (de vorige regering was daartoe geneigd, de nieuwe zou genoegen willen nemen met `verrijkte' kooien, maar wie weet hoe gauw er een nieuwe nieuwe regering is), dan is de Bovans Goldline de kip van de toekomst. Naarmate de leghennen meer vrijheid krijgen, wordt het fokken van niet-agressieve rassen urgenter.

Dus: Verbeek betrekt zijn ouderdieren (330.000 stuks) bij het fokbedrijf en stalt ze bij contractbedrijven. De eieren gaan naar Lunteren, waar ze worden uitgebroed. De kuikens, voor zover geen haantjes, gaan weer naar contractbedrijven, waar ze zeventien weken lang worden verzorgd. Daarna gaan ze de wereld van de leghennen in om zelf eieren te produceren, en die eieren krijgen wij bij het ontbijt.

Nu dit min of meer duidelijk is, kunnen we de ene heer in Renswoude achterlaten om ons met de andere naar de vestiging in Lunteren te begeven. Bij het betreden daarvan worden we, vaag eerst, het stampen van verborgen machines gewaar, wat een onmiskenbaar industriële indruk maakt – wat natuurlijk niet zo vreemd is.

We melden ons bij de leiding. We trekken een doktersjas aan, zoeken een paar klompen uit en mogen verder. Het loopt tegen vieren. Hier en daar wordt nog wat schoongemaakt, weggezet of nagekeken. Het werk is gedaan, de bedrijvigheid opgelost in een eigenaardige leegte, zoals je die misschien kent van een warenhuis na sluitingstijd.

We komen langs een laadplatform waar minstens honderdduizend eieren klaar staan voor de dag van morgen. De logistiek van zo'n bedrijf, dát zou ook een verhaal zijn. Je moet, rekening houdend met de geldende CAO's, alles toch maar op de juiste volgorde zien te krijgen.

We komen in een eindeloos lange gang, die me zowel aan een ziekenhuis als een zweminrichting doet denken – het ene vanwege de geur die er hangt, het andere vanwege de gelijkenis van de broedkasten met badhokjes. Naast elke deur is een display aangebracht waarop het verstrijken van de tijd in hoekige cijfers, meedogenloos rood, wordt aangegeven. En het wááit in deze gang.

We komen in de ruimte waar de eieren doorheen moeten als ze van de voorbroedkasten naar de uitkomstkasten gaan. Dat is na dag 18. Dan worden ze geschouwd. Dat gebeurt machinaal. De eieren die daarbij oplichten (als neonletters aan de gevel van een nachtclub) zijn niet bevrucht en doen verder niet mee.

We komen in de gang met uitkomstkasten. Kast 94: 20 dagen, 18 uur. Kast 95: 20 dagen, 20 uur. ,,Hier beginnen we morgenvroeg mee'', zegt Van Nijhuis. Telkens twee uur tussenpoos, twee uur om een kast leeg te halen en te verwerken.

Dan komen we in de ruimte die nog het meest van een fabriekshal wegheeft. Nogmaals: het werk is gedaan, er is hier niemand, maar je kunt het je voorstellen: mannen en vrouwen in hygiënische kleding, bakken met pasgeboren kuikens, rappe handen die een begin maken met de selectie.

Bij sommige rassen zijn de hennen bruin en de hanen wit, bij andere kun je het verschil alleen maar zien aan de vleugelpennen. En dan zijn er twéé lopende banden, die tegen elkaar in lopen.

,,Hennetjes die kant op'', verduidelijkt Van Nijhuis, ,,en haantjes retour.''

Haantjes retour. Ik weet niet of dat hier staand taalgebruik is of zomaar een uitdrukking, maar het valt me wel op. Retour waarheen? Naar het ei? Naar God?

En tot slot komen we op een laadplatform met het restant kuikens van vandaag, die een nachtje overblijven en morgen in alle vroegte het land ingaan. Vijfhonderd hardblauwe plastic kratten. Vijftig dieren per krat, zestig cent per dier.

Je hoort ze piepen.

Je hoort het krassen van hun nageltjes op karton.

Misschien verwonderen ze zich al over de spanning tussen wat ze willen en wat ze kunnen.

Het is hier warm en er hangt een weeë volièrelucht. Van Nijhuis tilt van een krat de deksel op en haalt zijn hand keurend door de inhoud. Ik kijk. Ik probeer wijs te worden uit het gewemel. Maar pas als ik zelf mijn hand uitsteek en zo'n donsballetje (met oogjes!) vastpak, verandert er een dier in een individu, een afzonderlijk schepsel met zijn eigen verwachtingen, zijn eigen bestemming.

Van Nijhuis wijst me het wondje op het dunne dijbeen, waar ze een injectie tegen de ziekte van Marek heeft gehad. En het dons is nog vochtig van de spray die haar moet beschermen tegen infectueuze bronchitis. Bijna niets, stel ik intussen vast, bijna niets weegt dit leven.

Als ik haar terugzet, verdwijnt ze gretig in de massa. Zo discreet als zij mij verlost van haar individualiteit, zo discreet laat ik haar in het ongewisse over haar toekomst.

Tot zover mijn bezoek aan Verbeek, de broederij voor al uw Iegrassen. Voor alle duidelijkheid: wat hier beschreven werd heeft géén betrekking op vleeskuikens. Of in de woorden van de heer Truin: ,,Het enige wat hetzelfde is, is drie weken broedmachine: daarvóór en daarná is in de vleessector alles anders.''

In de vleessector circuleert het pluimvee veel sneller en in nog veel grotere aantallen. Dan praten we op jaarbasis over ruim 500 miljoen kuikens, waarvan er 350 miljoen geslacht worden voor de eigen, Nederlandse markt. In de vleessector worden haantjes gelijk behandeld met hennetjes.

Het is de vraag of ze daarom te benijden zijn.