Ik ben er ook nog

Je kon er op wachten: na de heilige verontwaardiging over de bedreigingen van moslims aan het adres van Ayaan Hirsi Ali, na de geschokte commentaren, de petities en de gironummers, na het zwaaien met de regels van onze rechtsstaat en de verworvenheden van de moderniteit, is het nu weer tijd voor de gebruikelijke ontnuchtering: hoe ernstig zijn die bedreigingen eigenlijk? Welke reële feiten gaan er achter al deze grote woorden schuil? Er wordt heel wat afgedreigd in het nieuwe Nederland, kogelbrieven zijn zo ongeveer de enige poststukken die nog op tijd worden bezorgd, en de uitvinding van de e-mail blijkt de mensen ook niet echt dichter bij elkaar te hebben gebracht. Dus waarom zoveel meer protest in het geval van Ali dan, bijvoorbeeld, bij de doorgeladen revolver voor Ad Melkert? Waarom plotseling al dat onvoorwaardelijke

ponteneur en die gezwollen retoriek, en last but not least een giroactie van Neelie Kroes?

Natuurlijk is Ali wel bedreigd; het zou naïef zijn te denken dat het niet zo is. Ze had nog beter een paar keer op de koran kunnen spugen, dan emancipatiegedachten onder moslimvrouwen te verspreiden. De woedende reacties van islamitische mannen doen me denken aan de jaren zeventig, de hoogtijdagen van het activistische feminisme: doorgedraaide mannen die stenen door de ruiten van het Blijf-van-mijn-lijf huis gooiden, boze huisvrouwen die vanachter het aanrecht verkondigden dat ze zich helemaal niet onderdrukt voelden, en natuurlijk het diskwalificeren op morele gronden van de verkondiger van de boodschap. Maar in het geval van Ali komt daar de islam bij – en dat zet alles op scherp. Over ieder conflict valt tegenwoordig de schaduw van 11 september. Niet-islamieten zien in iedere uiting van islamitische verontwaardiging nu eenmaal direct de achterlijkheid van eerwraak en de hysterie van jihad. Islamitische honden blaffen niet alleen, geldt sindsdien, ze bijten ook.

Maar de bedreigingen aan het adres van Ali lijken me nogal opgeklopt – waarschijnlijk niet eens door haarzelf, maar door mensen om haar heen, die in haar net iets te graag een nieuwe Salman Rushdie wilden ontdekken. Vergeten wordt meestal dat de zaak-Rushdie in Nederland afliep met een sisser, gesmoord werd in de weldadige consensuscultuur van die jaren. Er werd wat geroepen, er werd wat hypocriet gedraaid, er werden een paar boeken verbrand en toen ging iedereen eens goed met elkaar om de tafel zitten. Er is hier geen vertaler neergestoken, er is geen boekhandel opgeblazen, er is geen boek uit de handel gehaald. Sindsdien zijn er genoeg sociale problemen met betrekking tot islamitische Nederlanders aan het licht gekomen, maar de angst voor actief politiek-religieus extremisme op eigen bodem is tot nu ongegrond gebleken, alle retoriek van een handvol radicale imams ten spijt. De openlijk homoseksuele burgemeester van Parijs is vorige week neergestoken door een geschifte islamitische homohater; er zijn in Nederland genoeg homoseksuele politici, maar een aanslag zoals die in Parijs ligt vooralsnog niet voor de hand. Het is veelzeggend dat na de moord op Fortuyn algemeen gedacht werd dat de dader wel een islamitische fundamentalist zou zijn; en nog veelzeggender dat de dader daar niets mee te maken had.

Het wachten is op de eerste islamitische homoseksueel die de politiek ingaat – een kwestie van tijd, lijkt me.

Dat zwelgen in drama – het is een heel naar Nederlands trekje aan het worden. Na de religieuze en politieke ontkerstening van dit land, is er eigenlijk nog maar één ideologie waarin iedereen zich kan vinden: geldingsdrang. Wie zich wil laten gelden, zoekt het drama, en als hij het niet kan vinden, organiseert hij het zelf. Zo gezien is er schrikbarend weinig verschil tussen de boze burger die zijn anonieme kogelbrief dichtlikt, en de politici en journalisten die trots met hun al of niet verzonnen hatemail lopen te zwaaien. De ene helft van Nederland, zo lijkt het, wil dader zijn, de andere helft doelwit. Het blijft grotendeels virtueel: de daders dreigen, maar doen niks, de doelwitten roepen dat ze bedreigd worden, waar gaat het naartoe met Nederland, maar hen overkomt niks.

De moord op Fortuyn verleent nu alle waanvoorstellingen en kokette egomane fantasieën van anderen geloofwaardigheid. De enige echte dader heeft vooraf niet gedreigd, hij heeft geen dreigbrieven verzonden, geen anonieme telefoontjes gepleegd – en achteraf geen uitvoerige zelfrechtvaardigingen verspreid. Volkert van der G. is een on-Hollands raadsel: iemand die zijn mond weet te houden.

De rest van Nederland probeert krampachtig een duit in ieder zakje te doen. Inmiddels is het hondsmoeilijk om uit te maken wie er nu eigenlijk het gekste is: de vijfderangs politica die haar eigen miezerige situatie zonder blikken of blozen vergelijkt met het leven onder Hitler en Stalin, of de vijftien cameraploegen die haar opjagen door de gangen van het Tweede Kamer-gebouw? Wat is erger: brutaal en onbeschoft behandeld worden door landgenoten bij wie de persoonlijke geldingsdrang het gewonnen heeft van iedere vorm van burgerzin, of luisteren naar de ferme taal in al die tientallen, tot niets verplichtende discussies over normen en waarden in de media?

In die zin zijn we allemaal Fortuynisten geworden: die taal van mateloze zelfvergroting, de onstilbare behoefte aan het cachet van grote woorden, de onstuitbare neiging om jezelf als middelpunt te zien, als verlosser of gekruisigde, wat maakt het uit? Dat onze geldingsdrang monsters baart, so be it. Ruim tien jaar geleden was het het spookbeeld van vermeend antisemitisme dat voor een aantal zelfgeorganiseerde incidenten zorgde, nu is het de sociale onaangepastheid van islamieten. Inmiddels ontkom je er niet meer aan om ogenblikkelijk vraagtekens te plaatsen bij het nieuws van een groepsverkrachting van een dertienjarig meisje door een groep jongens, eerst Turken, en toen weer niet. Is het waar, is het verzonnen? Moet Ayaan Hirsi Ali werkelijk vrezen voor een aanslag op haar leven, of willen een aantal van haar sympathisanten in haar een martelares zien? Waan en werkelijkheid lopen in ons bewustzijn ongemerkt in elkaar over.

Ik moet denken aan dat zinnetje over Nederland in Coetzees roman Disgrace, waarin ons land als een saaie oase wordt voorgesteld: ,,Holland may not be the most exciting places to live, but at least it doesn't breed nightmares.''

Dat het een juist het ander oproept, we hadden het kunnen weten.